Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vroeger als een soort sport voorkomende vechtpartijen met de politie, worden nu door het element van wantrouwen, dat van Elk er in brengt, door het eenzijdig belichten van ondervonden leed, het vooropzetten van provocatie door ruwheid van de politie in een geheel ander licht gezien, en daaraan is het zonder twijfel toe te schrijven, dat sinds G-arsthagen's stuk in de courant verscheen, sinds van Elk de bestaande individuëele wrok en haat wist te organiseeren tot één algemeen gevoelde en geuite vijandschap tegen de politie, het aantal der klachten steeds toeneemt, de inhoud steeds brutaler wordt.

Het is een algemeen menschelijke 'eigenschap, zoo algemeen, dat een uitzondering daarop bijna altijd de uiting van een ziekelijken aanleg is, zijn eigen aandeel in een verkeerde handeling te onder-, dat van een ander te overschatten. Ook zonder eenigen invloed van buiten zal wel altijd de gemiddelde mensch, waar hij in strijd komt met een ander, iets afdoen aan zijn eigen schuld en iets toevoegen aan die der tegenpartij. Dat dus bij de voortdurende vechtpartijen te Papendrecht de schuld als regel door de betrokkenen voor een deel op de politie wordt geworpen, behoeft nog niet aan van Elk's invloed te worden toegeschreven.

Maar wat hier vooral de aandacht verdient, is de activiteit der aanklagers. Er is nog zulk een groote afstand tusschen de meening, verongelijkt te zijn en het optreden als aanklager. Het eerste schijnt bijna normaal te zijn bij iemand, die zelf schuld bezit. Het laatste is iets geheel anders, daarvoor is noodig een overtuiging, of wel een invloed van buiten, en waar nu niet zonder invloed van buiten de opinie der Papendrechters omtrent de politie zoo in eens veranderd zijn kan, als uit het plotseling opduiken van allerlei klachten zou moeten blijken, is duidelijk, dat het die invloed van buiten is geweest, die gevoerd heeft tot het uiten als een overtuiging in het openbaar van datgene, wat ieder beschuldigde onder zijn eigen vrienden en kennissen pleegt te vertellen omtrent zijn onschuld.

. De groote meerderheid der menschheid aanvaardt of ontwijkt niet een strijd, al naar mate ze meenen, dat ze gelijk hebben of ongelijk, recht of onrecht, doch wel naar mate ze gevoelen, dat ze al of niet de sterksten zijn. En zoo is het hier gegaan. De wijze van optreden van van Elk heeft aan de bevolking van Papendrecht en omstreken het gevoel gegeven, dat zij met hun allen sterker waren dan de politie, en vanaf het oogenblik, dat dat gevoel aanwezig was, werden ze agressief met hun klachten over mishandelingen, provocatie, valsche processen-verbaal, enz.

Zoo is het de invloed van van Elk, die strijdlust geeft, omdat hij het gevoel van de sterkste te zijn weet op te wekken; hij roept op tot een heiligen oorlog niet alleen, maar ook, hij weet het geloof te geven aan de overwinning, en het is dat gevoel, die, laten we het met een psychiatrisch woord maar noemen, manische stemming, die de verklaring geeft van tal van verhalen, die men in niet psychiatrische taal niet anders dan brutale leugens zou kunnen noemen.

En toch is het zeer de vraag, hoeveel leugen, d. i. hoeveel bewuste onwaarheid hier aanwezig is, en hoeveel onjuistheid, tastbare onjuistheid, in absurden vorm meegedeeld, verklaard worden kan door die geweldige suggestieve kracht der ziekelijke overtuiging van van Elk.

Één voorbeeld slechts. Marinus van de Graaf, varensgezel te Papendrecht (bij ons onderzoek op 14 Mei 1910, 24 jaar oud) deelt mede, dat hij met zijn broeder op een Zondagavond, 7 a 8 jaar geleden van den veerman te Papendrecht naar het oosten den dijk opgaande, zonder eenige aanleiding van Bouterse :'een slag met de sabel ontving over de linkerwang, waarvan hij ons het;litteeken toont. Hij is echter niet zeker, dat zijn broeder dat toen gemerkt heeft, en zegt er nooit met dezen over gesproken te hebben. Die broeder nu, Jan van de Graaf, vertelt omtrent die zaak, dat toen Bouterse zijn broeder met de sabel sloeg, ze niet gezien hadden, waar Bouterse vandaan kwam; hij was er op eens en sloeg; ook zagen ze daarna niet, waar Bouterse bleef.

Dit verhaal nu, op zich zelf al hoogst onwaarschijnlijk, blijkt bh nader onderzoek betrekking te hebben op een avond, waarop Bouterse door een grooten volkshoop zwaar mishandeld is, en met zijn sabel — de uitdrukking is hoogstwaarschijnlijk niet te sterk — voor zijn leven heeft moeten vechten. Daarna moesten hem door Dr. Rolloos de stukken glas uit zijn hoofd gehaald worden, doordat men fiesschen op zijn hoofd had stuk geslagen. In het op deze vechtpartij betrekking hebbende proces-verbaal van Bouterse worden nu verschillende namen genoemd van personen, die hij heeft herkend, en daarbij zegt hij o.a. dat hij ook meent herkend te hebben Marinus van de Graaf.

De gebrs. van de Graaf geven toe, dat de sabelslag ontvangen is op een avond, dat er heftig gevochten is, dat ze een oploop hebben gezien, doch beweren, dat ze 40 a 50 M. van dien oploop verwijderd waren, toen Bouterse sloeg.

Wanneer men dit alles samenneemt, kan geen redelijk mensch twijfelen, dat de sabel-

Sluiten