Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogleeraren het niet zoo erg vonden. Dat „men" het niet wenschelijk vond, dat de a.s. geneesheeren een gedeelte van hun tijd buiten de universiteit doorbrachten, moet zijn, dat de klinische hoogleeraren het niet wenschelijk vonden. Maar nu mag men toch, met alle waardeering voor die hoogleeraren en voor de adviezen, die zij gegeven hebben aan de algemeene vergadering te 's-Gravenhage, vragen of zij, wanneer men dat woord nu niet in zijn onaangenaamste beteekenis wil nemen, nu toch werkelijkde meest onpartijdige beoordeelaars zijn van deze twee vragen. Zij oordeelen daarmede, hoezeer wij overtuigd zijn dat de toestanden en niet hun personen de moeilijkheden scheppen, toch eenigszins over wat met hun eigen werkkring en hun eigen werk zóó samenhangt, dat het moeilijk daarvan te scheiden is. Daarom had ik gewild dat de meening van de klinische hoogleeraren niet zoo op den voorgrond werd gezet. Het is zeer begrijpelijk dat die heeren in dit opzicht sommige bezwaren wat erg voelen, maar daartegenover staat dat zij wellicht wat weinig gevoelen voor de bezwaren van de andere zijde. Nu is de zaak, mijnheer de voorzitter, deze: is het niet werkelijk zoo, en is dat geen groot bezwaar dat er te veel tijd voor de studenten verloren gaat? Wanneer wij zien dat in Leiden volgens het jaarboekje, wanneer men het doctoraal- en theoretisch-geneeskundig examen bij elkaar neemt, in 1909-1910 zijn geslaagd 29, in den volgenden cursus 41, het jaar daarna 55 en het daaropvolgende jaar 37, hoe moeten dan al die menschen geholpen worden aan den tijd van een maand — wat toch werkelijk weinig is — om een subassistentschap te bekleeden? Daarmede gaat zooveel tijd verloren, dat, naar ik meen te weten, op het oogenblik zij, die vóór de groote vacantie doctoraal-examen gedaan hebben, pas na Januari kans hebben een intern subassistentschap te krijgen. Ik meen te weten dat tot Januari alle interne subassistentschappen bezet zijn en dat pas daarna de loting kan plaats hebben. Een feit is het dan ook dat er menschen weggaan naar Amsterdam, omdat zij meenen daar eerder gelegenheid te hebben om subassistent te worden en dus korter tijd worden opgehouden tusschen het doctoraalen het semi-artsexamen. Dat is één van de groote grieven. Nu is mijn tweede bezwaar tegen de manier, waarop deze zaak wordt opgevat, dit: men sluit de oogen voor het feit, dat het gebeurt en nog wel, dat het gebeurt met medewerking van de klinische hoogleeraren. De studenten van prof. KORTEWEG gaan naar Den Haag met zijn medeweten, met zijn, laat ik zeggen, semi-officieele sanctie, want als zij er vandaan komen, moeten zij vertellen wat zij gezien hebben, moeten zij een soort rapport inleveren. Dat bezoeken van het ziekenhuis in Den Haag wordt hun dus blijkbaar wel degelijk aangerekend. Op de zelfde manier, al weet ik niet of dat gaat met ruggespraak met den hoog-

Sluiten