Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leeraar, is het bekend dat er in Amsterdam bij collega OIDTMANN altijd studenten zijn. Er is dus wel degelijk de behoefte gevoeld en het heeft zich al in zekere richting ontwikkeld. Wat is er nu voor bezwaar tegen, dat, waar het nu, los van de universiteit, los van de hoogleeraren en en zonder eenig overleg gaat, er van den kant van de klinische hoogleeraren van de faculteit eenige aanwijzing wordt gegeven, wat men het wenschelijkst acht. Ieder klinisch hoogleeraar is overtuigd dat er dingen bestaan, die hij niet in staat is te geven, bijv. omdat hij het materiaal niet heeft. Het chirurgisch materiaal in Leiden is veel kleiner dan in het ziekenhuis te 's-Gravenhage en dit is weer kleiner dan het materiaal in het ziekenhuis te Rotterdam. Hoe wil men verder in Leiden zoo n hoop fracturen bij elkaar halen als in Amsterdam of in Rotterdam? Daarom: wanneer men de jonge artsen eens iets van fractuurbehandeling wil laten zien, laat men hun dan gelegenheid geven naar Rotterdam te gaan. Om iets anders te noemen: in het Haagsche ziekenhuis is de zaal met patiënten, wier urogenitaalapparaat niet in orde is, veel grooter dan in Leiden. Ik heb indertijd het catheteriseeren al moeten leeren buiten de universiteit. Daar zou men nu in Den Haag ook veel beter gelegenheid hebben. Er bestaat dus een behoefte; er wordt al in voorzien, maar . . , . er wordt in voorzien op een beetje stiekume manier. Dat is nu wel een leelijk woord, maar eigenlijk is het tóch wel een beetje stiekum. Wanneer dat gebeurt met medeweten van den hoogleeraar, gedeeltelijk door sommige hoogleeraren wordt erkend, is dat een beetje stiekum, vooral tegenover hen, die zich voor deze taak beschikbaar stellen. De één zegt: Zij willen een titel hebben : anderen zeggen: zij willen wat anders hebben. Dat laat mij ten slotte heel erg koud, maar voor degenen, die zich er de moeite voor geven, zou het wat waard zijn, wanneer hun werk eenigszins werd erkend, en ook voor de studenten. Wanneer studenten nu in het een of andere ziekenhuis komen, dan hangt het heelemaal van de goedwilligheid van den beheerder van zoo'n afdeeling af, of hij er wat aan doen wil; hij heeft zich tot niets verbonden. Het zou veel beter zijn, wanneer er eenig officieel cachet aan de zaak gegeven werd, wanneer er eenig overleg bestond met den klinischen hoogleeraar, zoodat degeen, die dat deed, een zekeren plicht op zich genomen had. Zonder twijfel is dat in het algemeen voor iedereen, die een belangrijk werk doet, toch nog een zeker stimulans om zijn werk meer con amore en beter te vervullen. Heel goed vind ik bijv. dat nu in de conclusie niet meer gesproken wordt van ziekenhuizen, maar van personen. Er staat „leiders". Bedoelt men daarmede de leiders van de ziekenhuizen? Dat behoeft niet altijd. Het meest wenschelijke zou zijn: het persoonlijk contact tusschen de klinische hoogleeraren en de personen, aan wie de opdracht wordt gegeven. Dat moet niet

Sluiten