Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist willen opwekken de vergadering tot spreken te krijgen tegen de klinische hoogleeraren.

De voorzitter:

Ik wil gaarne uw aanwijzing volgen, als er dan maar niet al te uitvoerig over gesproken wordt.

De afgevaardigde van de afdeeling Groningen, de heer H. G. Hamaker:

Mijnheer de voorzitter: Ik wil beginnen met te verklaren dat ik uit de woorden van den heer SNOEK HENKEMANS een heel anderen indruk heb gekregen dan de heer KOUWER. (Applaus). Van beschuldiging van kleinzieligheid of zelfs de onderstelling van partijdigheid is in de woorden van den heer SNOECK HENKEMANS absoluut geen sprake geweest. Wanneer hij aanneemt, zooals hij gedaan heeft, dat ook hoogleeraren zijn gewone menschen als wij allen, tot een zekere mate van eenzijdigheid in staat, dan misdoet hij niets. Dan betracht hij alleen de waarheid en ik geloof dat hem dan ook geen enkel verwijt kan treffen, zoodat de hoogleeraar, die daartegen meent te moeten opkomen, een onjuist standpunt inneemt en zich plaatst op bovenmenschelijk niveau. Alles wat de heer SNOECK HENKEMANS gezegd heeft, betreft menschelijke eigenschappen, die ieder van ons als de zijne moet erkennen. Wat verder betreft hetgeen gezegd is door de aanwezige leden der commissie, meen ik te moeten opmerken dat één der groote bezwaren tegen den bestaanden toestand, door den heer SNOECK HENKEMANS genoemd, niet is weerlegd, n.1. het oponthoud, dat ontstaat door gebrek aan plaatsen voor coassistentschappen. Dat is een groot bezwaar, waarop ik wel een antwoord van de commissie zou willen hooren.

De afgevaardigde van de afdeeling Zuid-Hollandsche Eilanden, de heer Fl. Hers:

Mijnheer de voorzitter! Het doet mij toch eigenlijk genoegen dat ik aan het woord kan komen over een zaak, die mij zeer ter harte gaat. Indertijd ben ik aan een kleine universiteit geweest en wel met zoo groote ergernis en gevoel van onbevredigd zijn, dat ik ten slotte van die academie ben weggegaan naar een grootere universiteit, waar andere gewoonten heerschten. Wat veroorzaakte die ergernis in die kleine plaats? Dat was in de eerste plaats dit, dat men daar in het minst niet het gevoel had, dat de hoogleeraaren ook maar eenig overleg pleegden omtrent de vraag, hoe zij het onderwijs voor de jongelui zouden inrichten. Dat miste men te eenenmale. Men kreeg bij den aanvang der colleges met zeker enthusiasme te hooren dat de opleiding den professoren ter harte ging, men kreeg een enthusiaste speech over wat de hoogleeraar verwachtte van de studenten, die hij zou opleiden tot zijn zeer geliefd beroep, maar als de colleges

Sluiten