Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu worden gedéchargeerd en ik geloof uit uw naam te spreken, wanneer ik haar hartelijk dank voor het gedurende zooveel jaren met zooveel zorg, zooveel talent en zooveel enthousiasme ondernomen werk. (Luid applaus). Ik stel nu aan de orde punt IV, 19°. der agenda:

Punt IV, 19°. Verslag der commissie in zake de onderlinge verhouding

imssTewrhou- tusschen verzekeringsmaatschappijen, behandelend geneesheer

ding verzeke- en controleerend-geneeskundige.

ringsmaat-

schappijen, Het verslag is verschenen in het Ned. tijdschrift voor geneeskunde, 1914,

controleerend- e£rste helfti No 18_ bladz H41. Handelingen 1914, bladz, 199. geneeskundige en behande¬

lend genees- j)e rapporteur der commissie, de heer N* J* M* Fagée Schaefrer:

iieei. w < , . . wt. .i i i 1 c

Mijnheer de voorzitter! wie zien reicenscnap neen gegeven van de vraagstukken, die onze commissie had te behandelen; wie de besprekingen in de algemeene vergadering te Deventer heeft gevolgd, die zal begrijpen dat de commissie zich niet voorgesteld heeft tot een dankbare taak te zijn geroepen. Ik herinner mij nog levendig hoe de heer WENCKEBACH, na de aanvallen, welke wij te Deventer hadden te doorstaan, mij schertsend toevoegde: „jullie gaat vallen en ik hem evenzeer schertsend daarop antwoordde: „neen, de plicht houdt ons op de been". Schertsende woorden, mijnheer de voorzitter, maar toch met een kern van waarheid. Voor ik er nu evenwel toe overga enkele belangrijke punten te bespreken, waarin de commissie is aangevallen en enkele zaken recht te zetten, wenschte ik eerst, al is het dan ook al drie jaar geleden, de aandacht te vestigen op het feit, dat toen herhaaldelijk is gesproken over conclusies van de commissie, waar men alléén te doen had met de aanwijzing van een bepaalde noodzakelijke volgorde in het verloop der stemmingen. Zoo had de commissie bijv. niet voorgesteld een plaatselijke regeling te treffen, maar wél om te stemmen eerst over het beginsel of een plaatselijke dan wel een algemeene regeling de voorkeur verdiende. In haar aanvullingsrapport heeft de commissie gemeend een en ander te kunnen vermijden, zooals de heeren gezien hebben en ik verder op nog even zal aanstippen. Het rapport der commissie nu, mijnheer de voorzitter, is te Deventer aangevallen voornamelijk op drie punten en wel: le. over den opzetvan hetrapport; 2e. dat de commissie hopeloos verdeeld zou zijn; en 3e. over de controle der therapie. Ik zal beginnen met iets te zeggen over den opzet van het rapport. Wie te Deventer de rede van collega VAN DER BRUGH daarover heeft aangehoord, moet geheel of ten deele den indruk hebben gekregen, dat de commissie de belangen der geneesheeren tegenover de verzekeringsmaatschappijen te veel uit het oog had verloren. Nu is het een feit, mijnheer de voorzitter, dat collega VAN DER BRUGH behoort tot die zeldzame, aangename en

Sluiten