Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval bezoldigd worden, alle inlichtingen te verschaffen, die de verzekeringsmaatschappijen wenschen, zelfs ook een diagnose. Ik kan deze zaak niet in den breede gaan uitleggen, maar het komt mij gewenscht voor dat deze commissie of een andere de zaak ook eens bekijkt van dat standpunt. Dan is de heele moeilijke vraag, wat de behandelende geneesheer moet doen, weg. Dan wordt het eenvoudig een zaak tusschen onze maatschappij en de verzekeringsmaatschappijen.

Het lid der centrale commissie voor de beroepsbelangen, de heer H. Pinkhof:

Mijnheer de voorzitter: Ik zou nog een enkel woord willen zeggen naar aanleiding van wat de heer COERT gesproken heeft. De commissie, met welker minderheid ik het overigens eens ben, wenscht in het algemeen den behandelenden geneesheer vrij te laten, tenzij in de afdeeling, waarvan men lid is, een bindend besluit van kracht is geworden, dat hiervan afwijkt. De heer COERT heeft daartegen bezwaar. De heer DE WILDE heeft reeds opgemerkt dat het zelfs met die vrijheid nog al tamelijk vervelend gesteld is, want wanneer wij in theorie ook zelfs in de polis worden vrijgelaten, is het gebleken dat de verzekeringsmaatschappijen niet schromen geneesheeren achter hun rug te benadeelen, wanneer zij niet naar de pijpen der maatschappijen dansen. Dit feit zou toch een afdeeling aanleiding kunnen, neen, móeten geven van de algemeene gedragslijn af te wijken en overal, waar metterdaad die vrijheid geschonden is, door bedreiging of door werkelijke benadeeling, te zeggen: „Met een dergelijke maatschappij willen wij niets te doen hebben! Wij zijn met elkander te fatsoenlijk om een van onze collegae op zoo n wijze te laten benadeelen". Er zou aanleiding zijn tegenover een dergelijke maatschappij niet alleen alle verklaringen te weigeren, maar er zou — wanneer het hart van de controleerende geneeskundigen altijd op de goede plaats zat — aanleiding zijn voor ieder controleerend-geneeskundige om te zeggen: „Ik wil met de maatschappij niets te maken hebben", evenals collega VAN TUSSENBROEK gedaan heeft in Amsterdam, toen een collega in Friesland inderdaad was bedreigd met benadeeling door de maatschappij, van welke zij adviseur was. Wanneer de adviseerende geneesheeren van verzekeringsmaatschappijen zich op het standpunt konden stellen, dat zij niet alleen adviseurs maar ook tevens geneesheeren waren, d. i. leden van de maatschappij, d.i. collegae van de andere geneesheeren, dan zou het er heel anders uit zien. Maar — ik moet het hier nu maar eens zeggen — dikwijls vormen de adviseerende geneesheeren een kaste, die denkt: „Laat die mannetjes nu maar modderen, de maatschappijen, waarmede wij solidair zijn, krijgen ze wel klein . Ja, helaas, zij krijgen er veel klein.

Sluiten