Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het nu tijd wordt eens een beslissing te nemen. De meerderheid van de commissie spreekt van vrijheid. De behandelende geneesheer is vrij. Op die vrijheid gaan wij altijd prat. Dat doen wij als goede, stoere Hollanders. Wij wenschen onze vrijheid zooveel mogelijk te hebben en te houden. Maar daar is een vrijheid, die dikwijls erger is dan de grootste dwang. Dat is een te groote vrijheid. Dat is daar straks al betoogd. Wanneer men iemand vrij laat en een groot deel der geneesheeren wordt gedwongen door handelingen van anderen, die vrij zijn te doen wat zij willen, tot het doen van dingen, die zij niet willen, dan is dat geen vrijheid meer. Dan is de vrijheid geknot. Deze kwestie is al zoo oud, dat ik hier bij mij heb een gedrukt stuk, door een geacht medelid van de commissie in druk gegeven, waarin de laatste conclusie ook voorkomt, en waarin staat, dat controle in hoofdzaak door den behandelenden geneesheer groote bezwaren meebrengt van geneeskundigen, socialen en administratieven aard en dat het resultaat pover zal zijn. Die conclusie, gesteld in het jaar 1906, had ik gaarne ook in het jaar 1913 en in 1914 door hem gehandhaafd gezien. Dat is echter niet gebeurd. Het hoofdbezwaar, dat ik als kleinst mogelijke minderheid van de commissie tegen de conclusies der commissie had, is, dat ik mij onmogelijk kan vereenigen met een vrijheid tot afgifte van verklaringen omtrent diagnose, arbeidsgeschiktheid of arbeidsongeschiktheid. Verklaringen omtrent arbeidsgeschiktheid of ongeschiktheid maken ons van behandelend geneesheer — wat wij altijd in de eerste plaats moeten blijven — eigenlijk tot controleerend-geneeskundige van die maatschappijen en brengen ons beslist — dat kan niemand tegenspreken — in tal van gevallen in botsing met de goede verhouding, die er steeds in het belang van onzen stand en van de patiënten moet blijven bestaan, tusschen ons en de patiënten. Wanneer wordt vastgesteld dat wij verklaringen kunnen afgeven omtrent arbeidsgeschiktheid of ongeschiktheid en dan nog over gedeeltelijke ongeschiktheid, komt de goede verhouding in het gedrang. Ik zou vinden dat wij pas vrij waren, wanneer er een positieve dwang van onze maatschappij uitging om dat te verbieden.

De afgevaardigde van de afdeeling Groningen, de heer H. G. Hamaker:

Ik zou, mijnheer de voorzitter, over deze zaak ook gaarne een enkel woordje willen zeggen. In de eerste plaats wil ik mij even aansluiten bij de heeren, die het hebben over de kwestie van de diagnose en de mededeeling van de diagnose aan den geneeskundig-adviseur eener maatschappij. Het komt mij zeer positief voor, dat dit inderdaad evenmin mag als het mededeelen van de diagnose aan derden. Ik zie niet in, op welken grond wij met zekerheid mogen verwachten dat de geneeskundige adviseur werkelijk goed voor dat geheim zal zor-

Sluiten