Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangifte te doen. Ik meen daarom dat wij vast moeten houden aan dien eisch B, dat in sommige gevallen de eerste aangifte mag geschieden door den patiënt zelf, maar dat daarentegen punt I D toch wel wat te ver gaat. Wanneer de maatschappijen dat ook al niet aan de controleerende geneeskundigen mogen vragen, aan wie mogen zij dat dan wel vragen? De controleerend-geneeskundigen zijn toch ambtenaren der maatschappijen. Wanneer iemand meent dat hij op dergelijke vragen geen antwoord mag geven, dan moet hij geen controleerend-geneeskundige worden. Wij meenen dat het te veel van de maatschappijen gevraagd is om ook dit aan de controleerend-geneeskundigen te verbieden. Een oordeel uit te spreken over de financieele draagkracht en de geneeskundige behandeling, kan in enkele gevallen noodig zijn.

De voorzitter der centrale commissie voor de beroepsbelangen, de heer A. J. A. Thomas:

Er is over deze kwestie al jaren gesproken. Wij hebben al gehad den vrede van Tilburg, de ruzie van Deventer en al allerlei oorlogsverklaringen. Wij komen tot geen einde. Ik vind dat het toch te gek wordt zoo aan den leiband te loopen van die verzekeringsmaatschappijen en zoo gedupeerd te worden door die directies, zooals daar gebeurd is in Amsterdam. Daar zegt de directeur van zoo n maatschappij tegen een behandelend geneesheer: „Dokter, wil u zoo goed zijn een verklaring af te geven omtrent uw diagnose?" De geneesheer antwoordt: „Dat mag ik niet doen' . — „Ik eisch het . — „U hebt niets te eischen". — Dan zal ik zien een ander geneesheer te krijgen". — Tegelijk gaat het volgende briefje naar den patiënt: „Aangezien uw geneesheer weigert ons te helpen, raad ik u een ander geneesheer te nemen". Daarmee komt de patiënt bij zijn dokter en vraagt er naar. Maar het antwoord is: „Ja, dat moet u weten. Ik teeken het niet". Toen heeft de patiënt een geneesheer gevonden, die het wèl teekende. De patiënt is daarmede geholpen, zooals de directeur der maatschappij zeide: „Goddank, anders hadden wij u geen uitkeering kunnen geven". Ja, mijnheer de voorzitter! Nu zouden wij lang en breed over dit rapport en over dit onderwerp kunnen spreken. Wij zouden de conclusies één voor één kunnen gaan bespreken. Maar mij dunkt, wij moesten er nu toch maar een eind aan maken. De algemeene indruk van de vergadering is toch wel deze, dat wij ons niet door die verzekeringsmaatschappijen moeten laten onderdrukken door aan haar eischen te voldoen. Toen wij aan een directeur van een verzekeringsmaatschappij zeiden: „uw formulieren deugen niet: begint nu maar eens met betere vragen te stellen", zeide de directie: „Zeker, dat willen wij wel doen, mijne heeren". Dat is een jaar geleden. Maar zij verdraaien het nog, zoodat

Sluiten