Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hoofdbestuurder-secretaris, de heer C. F. Schreve: Mijnheer de voorzitter! Gaarne wil ik de vraag van den heer DIEPEN beantwoorden. Voor een paar weken ontving het hoofdbestuur het verzoek van het bestuur der Federatie van diocesane Roomsch-Katholieke volksbonden en werkliedenvereenigingen in Nederland om een onderhoud te mogen hebben met het dagelijksch bestuur van onze maatschappij. Aan dit verzoek werd voldaan. De voorzitter en de secretaris van het bestuur der Federatie, de heeren J. W. SMIT en B. J. GROBBEN, hebben op mijn bureau een onderhoud gehad met den voorzitter, den heer jUDA en mij. In dat onderhoud hebben zij aan ons een lijst van vragen voorgelegd, op welke vragen het niet altijd mogelijk was een scherp omschreven of een gedecideerd antwoord te geven, omdat de algemeene vergadering zich nog niet over den leidraad had uitgesproken. Aan de hand van den voorgestelden leidraad hebben wij, voor zoover het mogelijk was die vragen beantwoord onder nadere uiteenzetting van het standpunt van hoofdbestuur en maatschappij. Eenige dagen na de gehouden bijeenkomst, ontving ik van den secretaris van het bestuur der Federatie het verzoek te willen inzien een kort verslag, door hem van het verhandelde in die bijeenkomst opgemaakt en hem, onder terugzending daarvan, te berichten of het verslag het verhandelde juist weergaf. Door drukke werkzaamheden was ik in die dagen niet in staat direkt aan dit verzoek te voldoen, waarvan mij de beantwoording des te moeilijker viel, wijl mij bij lezing van het verslag bleek dat het hier en daar niet weergaf datgene, wat wij in onze uiteenzetting bedoeld hadden. Ik kwam tot de conclusie dat, in stede van het verslag op die punten te verbeteren of aan te vullen, het nuttiger zou zijn nogmaals een korte uiteenzetting te geven van onze actie en van onze bedoelingen, vooral ten opzichte van den voorgestelden leidraad. Zoodra ik een avond daartoe rustig den tijd had, ben ik dan ook aan het werk getogen en heb ik die uiteenzetting gegeven. Naar aanleiding van de zinsnede in het schrijven van den secretaris, dat, „in onze bestuursvergadering de wensch te kennen werd gegeven om in ons orgaan „De Vplkbanier" en in „Het Katholieke Volk een verslag op te nemen en het daarom nuttig werd geacht uw zienswijze daarover te vernemen" heb ik toen tevens in mijn begeleidend schrijven medegedeeld het beter te vinden dat van het verhandelde nog niets werd gepubliceerd, omdat de algemeene vergadering zich nog over den leidraad moest uitspreken en zij er nog wijzigingen, misschien zeer principieele, in kon aanbrengen. Publicatie van het verhandelde achtte ik onder die omstandigheden vóór de algemeene vergadering niet gewenscht. Gisteren is de heer DIEPEN zoo welwillend geweest mij inzage te geven van

Sluiten