Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klinkert en Schiitte.

Geval van rechtszijdig pleuritisch exsudaat met symptoom van Hoover.

Patiënt tot voor 1J jaar nooit ziek; geen heriditeit; machinistleerling van beroep. Yóór IJ jaar acute bronchitis, na eenige weken relatief hersteld. Na een maand of vier: phthisis incipiens puim. dextri.: Door salicyl behandeling verbetering. Op zekeren nacht plotseling heftige dyspnoe: pneumothorax dexter. Hooge koorts. Langzamerhand sereus exsudaat, met verdwijning van den pneumothorax. Punctie noodzakelijk. Telkens recidief. Punctie tot heden 6 maal herhaald: telkens IJ, liter verwijderd. Klinkebt vertoont den patiënt: exsudaat reikt tot in de 2e intercostaalruimte. Op het bovenste gedeelte van t sternum: Williamsche tracheaaltoon, bij sluiting van neus en mond verandering van toonshoogte. Na verwijdering van li liter vocht is dit symptoom verdwenen. Door Hoover is dit waargenomen bij tumoren in 't mediastinum anticum, ook bij massief peric. exsudaat; volgens H. zou 't bij pleuristisch exsudaat ontbreken. Dit geval toont aan, dat het alleen dan bewijzend is voor tumor, mediastini, wanneer bij complicatie met pleurit. exsudaat, dit laatste verwijderd is, en ook dan nog de tymp. percussietoon op t sternum blijft bestaan.

K. bespreekt de cytodiagnostiek, vertoont de praeparaten, en spreekt over de in te stellen therapie. Naar zijne meening moest in zulk een geval, waar telkens het exsudaat snel terugkeert, punctie met drainage worden aangewend, zooals Aupeecht dit bij de pleuritis acutissima aanried.

Sluiten