Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regeling van de klassen en de bezoldigingen der onderwijzeressen bij het Eur. lager onderwijs.

I. Gouv. besl. 2 Maart 1877 ff 7 (Stbl. 1877 ff 51).

Gelezen enz.

Is goedgevonden en verstaan:

Eerstel ij k: Krachtens magtiging des Konings: le enz.;

2e. te bepalen, dat als hoofdonderwijzeressen en eerste hulponderwijzeressen aan de openbare lagere meisjesscholen zullen worden werkzaam gesteld onderwijzeressen van de eerste en tweede klasse, op den voet van de voor onderwijzers van gelijke klassen geldende bepalingen, opgenomen in Staatsblad 1875 11- 76a; zullende verder alle bepalingen, welke voor onderwijzers van gelijke klasse verbindend zijn, ook voor deze onderwijzeressen gelden.

Ten tweede: enz.

Afschrift enz.

II. Kon. besl. 23 Januari 1885 ff 18 (Stbl. 1885 ff 78), zooals het luidt ingevolge Kon. besl. 13 October 1885 ff 20 (Stbl. ff 229).

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, GrootHertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Koloniën dd. 19 Januari 1885, Letter A1, ff 10;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Met intrekking van de artikelen 2 en 3 van Ons Besluit van 29 Januari 1875 ff 13 (Indisch Staatsblad ff 102), te bepalen als volgt:

Art. 1. Hulponderwijzeressen in Nederlandsch-Indië aan de openbare lagere scholen aangesteld zijnde, genieten eene bezoldiging van ƒ125 (honderd vijf en twintig gulden) 's maands met vier driejaarlijksche verhoogingen, ieder van ƒ 25 (vijf en twintig gulden) 's maands, alsmede vrije woning of indemniteit voor huishuur tot hetzelfde bedrag, dat thans voor onderwijzers der derde klasse is of later mocht worden vastgesteld.

Art. 2 enz.

Sluiten