Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1) Van de plaatsen, waarover ingevolge het Gouvernements besluit van 26 Juli 1900 Il! 10 (Bijblad ü! 5508) (1), jaarlijks kan worden beschikt voor gratis toelating tot openbare Europeesche (niet eerste) lagere scholen, van Inlandsche jongelieden, die den leeftijd van zes jaren hebben bereikt en dien van acht jaren niet hebben overschreden en die hun verlangen te kennen geven om tot Inlandseh arts te worden opgeleid, zijn er dit jaar voor Uw gewest beschikbaar .... plaatsen.

(2) De keuze der jongelieden, die bij het begin van den nieuwen • cursus in 1905 voor bedoelde gunst in aanmerking komen, zou ik gaarne aan U overlaten.

(3) Voor de toelating der jongelieden tot genoemd aantal gelieve UHEdG. mitsdien het noodige te verrichten.

(4) De voorkeur ware te schenken aan hen, die de school reeds tegen betaling bezoeken en voldoen aan de eischen, gesteld voor toelating van Inlanders tot Europeesche scholen (vergl. alinea 1 en 2 van artikel 14 van het Europeesch Schoolreglement in Staatsblad 1894 Il! 193 en 1904 ÏÏ- 94), en aan hen, die een fröbelschool hebben bezocht of op andere wijze met de beginselen voldoende vertrouwd zijn geraakt.

IV. Circ. Dir. O. E. HST. 3 November 1905 n! 18424 (B ij b L II? 6573).

(1) Ingevolge de Gouvernementsbesluiten van 26 Juli 1900 n; 10 en 15 October 1903 fl? 14 (opgenomen erspectievelijk in Bijblad nos. 5508 en 5910), kunnen jaarlijks door den Chef van dit Departement, met afwijking van de bestaande bepalingen omtrent kennis der Nederlandsche taal en schoolgeld, respectievelijk 80 en 60 Inlandsche jongelieden van 6 tot en met 8 jaren worden toegelaten tot openbare Europeesche lagere scholen ter latere opleiding tot Inlandsche arts en ambtenaar, de eerstbedoelden kosteloos, de laatsten alleen kosteloos, indien zulks verlangd wordt.

(2) Yoor zoover de aspirant Inlandsche artsen betreft, is de toelating dit jaar overgelaten aan de Hoofden van gewestelijk bestuur (vergl. de dezerzijdsche missive van 19 Juni jl. II- 10094). Ook voor het vervolg zou ik de toelating, zoowel van aanstaande Inlandsche artsen als van aspirant Inlandsche ambtenaren tot Europeesche scholen op den voet van bovenaangehaalde besluiten geregeld wenschen te zien door de Hoofden van gewestelijk bestuur, en ik verzoek UHEdG. mitsdien daarvoor jaarlijks het noodige te willen verrichten.

(3) De ter zake bestaande beginselen, waarmede zooveel mogelijk rekening ware te houden, mogen hier kortelijk in herinnering worden gebracht.

O Blz. 240.

Sluiten