Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENIGE WENKEN OP HET GEBIED DER SCHOOLHYGIËNE.

I. Schoolgebouwen en erven.

1. Het hoofd der school draagt zorg, dat de gebouwen zindelijk bewoond worden. Van eventueele beschadiging, b. v. na eene aardbeving, doet hij mededeeling aan den betrokken waterstaatsambteunar •door tusschenkomst van het Hoofd van plaatselijk bestuur.

2. Van het schoolerf moet alle vuilnis geregeld opgeruimd (resp. "verbrand) worden, opdat zich daar geene broedplaatsen van vliegen, muskieten, ziektekiemen enz. vormen.

Ter voorkoming van verstuiving moet het erf in den drogen tijd geregeld begoten worden en zoo mogelijk de begane grond onder de afdaken worden begrind. (Hiertoe wordt ingevolge art. 8, sub 2 van de „Schoolinstructie" de tusschenkomst ingeroepen van het plaatselijk bestuur).

Na regens worden de regentonnen, zoodra mogelijk geledigd, om te voorkomen dat muskietenlarven zich daarin ontwikkelen. Het aanvegen van het erf geschiede buiten de schooluren. Het hoofd der school trede hieromtrent in overleg met het plaatselijk bestuur.

3. Waar verbetering in den waterafvoer van het schoolerf noodig .geacht wordt, zal het plaatselijk bestuur daarmede in wetenschap worden gesteld (vooral de speelplaats behoort droog te zijn).

4. Indien het op het schoolerf staande geboomte nadeel aan de lichttoetreding of de luchtverversching mocht toebrengen, of zich daaraan doode stokken bevinden, welke door hun val gevaar voor de leerlingen kunnen opleveren, worde hiervan eveneens kennis gegeven aan het plaatselijk bestuur.

5. Het hoofd der school draagt zorg, dat aan de boomen geene vruchten gelaten worden, wier gebruik schadelijk is, of welke door hun val gevaar voor de leerlingen kunnen opleveren (klappers, doerian, nangka enz.).

II. Luchtverversching.

1. Het hoofd der school zorgt, dat geruimen tijd voor den aanvang ■en na het eindigen van den schooltijd, alle deuren en ramen der lokalen worden opengezet en opengelaten (zie art. 8 der „Schoolinstructie"). Tocht moet tijdens de les worden vermeden.

2. Natte kleeren, parapluies enz. bederven de lucht, en behooren dus niet in het school vertrek; ook moeten de daar te plaatsen meubelen tot de bepaald noodige worden beperkt.

III. Verlichting.

1. Elke zitplaats moet goed verlicht zijn. Men moet van iedere zitplaats een gedeelte van den hemel kunnen zien.

Voorschriften eur. onderwijs. 17

Sluiten