Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanspraak heeft, voor de kweekscholen wat betreft den na te noemen tweeden grondslag van subsidieering.

Artikel 7.

Indien blijkt dat de persoon, die in het bezit der akte van bekwaamheid als onderwijzer is gesteld, achtereenvolgens aan verschillende kweek- of normaalscholen of van verschillende hoofdonderwijzers (essen) zijn opleiding heeft ontvangen, is de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid bevoegd de bijdrage uit 's Lands kas te splitsen naar gelang van den tijd der opleiding.

Artikel 8.

De subsidie bedraagt:

A. voor kweekscholen:

ƒ 60,— (zestig gulden) 's jaars voor elk wekelijks gegeven lesuur in de vakken, waarvan de kennis voor het verkrijgen eener akte van bekwaamheid als onderwijzer wordt vereischt. Bij deze berekening komen uitsluitend in aanmerking de lesuren in klassen, bestemd voor de opleiding van kweekelingen. Uren bestemd voor practische oefeningen in het onderwijzen blijven buiten rekening.

B. voor kweekscholen, normaalscholen en hoofdonderwijzers (ressen) voor elk der door hen ter opleiding voor onderwijzer aangenomen personen, 'nadat deze minstens 2, hoogstens 4 jaar later de akte van bekwaamheid als onderwijzer zullen hebben verkregen, een bedrag van ƒ 110,— (één honderd tien gulden) per jaar (x).

C. voor kweek- en normaalscholen een derde van de bouwkosten en kosten van eerste inrichting en verder een derde van de jaarlijksche kosten voor onderhoud en aanvulling der eerste inrichting;

onder beding van aantooning door den aanvrager ten genoegen van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid dat bij het doen der uitgaven eene gepaste zuinigheid is betracht.

In bijzondere omstandigheden kan meer dan % van de bouwkosten en kosten van eerste inrichting ten laste van den lande worden gebracht.

Extract enz.

Subsidieering van Fröbelscholen.

Gouv. besl. 1 Februari 1907 ïl? 27 (B ij b 1. Il? 6633). Gelet enz.;

(') Aldus luidt sub B ingevolge Gouv. besl. 11 April 1903 n°. 15 (B ii b 1. n°. 5879).

Sluiten