Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere vazallen van den Romeinschen Antichrist; want zij, die onder deze gevangenschap blijven, behouden ten minste nog eene soort van Godsdienst; maar geene schaa,mte heett hem weerhouden, en zoo bleek hij van alle vreeze Gods ontbloot te zijn. Hij was een monster, (homo belluinus — een beestachtig man;) en dat was ook Jehu.

Als daarom de Proleet zegt: Ik zal de slachting van Jizreel wreken aan het huis van Jehu, dan is dit geene zaak om zie over te verwonderen. Hoe zoo ? Het was de hoogste eer voor hem, dat God hem tot koning zalfde, dat hij, die van lage afkomst was, door den Heere tot koning was verkoren, mj had dus alle krachten behooren in te spannen om de zuivere aanbidding Gods te herstellen, en alle bijgeloof uit te roeien. Dit heeft hij niet gedaan ; integendeel, hij heeft het bevestigd. Zoo was hij dan, wat hem zeiven betrof, een roover, geen

dienstknecht Gods.

Van dit alles is dit dus de beteekems : „Gij zijt geene Israëlieten (er is hier slechts iets duisters ten opzichte van de uitspraak van eene enkele letter,) maar Jizreëlieten„Gij zijt geene afstammelingen van Jakob, gij zijt Jizreëlieten ; dat is : „Gii ziit een ontaard volk en verschilt in niets van koning Achab. Hij was vervloekt, en onder hem is het koninkrijk vervloekt geworden. Zijt gij veranderd? Is er eemgerlei^reformatie? Daar gij u alzoo verhardt in uwe boosheid, hotjw®' mi trotschelijk aanspraak maakt op den naam van Jakob, zijt gij zulk eene eere onwaardig. Daarom noem ik u Jiz-

reëlieten. • • '*j

En de' reden wordt er bijgevoegd : Want nog een weinig tijds,

zoo zal Ik de slachtingen bezoeken over het huis van Jehu. Na toont God aan, dat het volk ontbloot was van alle eer. Maar zij waanden, dat sedert den tijd, dat het huis van Achab afgesneden was, de gedachtenis van alle zonden begraven was. „O! maar Ik zal deze slachtingen wreken , zegt de Heere. Wii weten, dat de geveinsden plegen te denken, dat, wanneer zij ééne zonde gestraft hebben, nu verder alles hun geoorloofd is, en aldus kwijtschelding zullen erlangen van God yoorhunne

zonden. Een dief zal een'moord straffen maar zelf vele mooi den

plegen. Hij acht zich verlost en vrijgekocht, omdat hij Gode den prijs heeft betaald door éénen mensch te straffen; maar anderen, die zijne medeplichtigen zijn geweest, laat hij vrij uitgaan en hij aarzelt ook niet zelf vele moorden te bedrijven. Daar nu de geveinsden alzoo God bespotten, wijst hij dien onzin met recht af, en zegt: Ik zal deze slachtingen wreken. „Acht gij het eene prijzenswaardige daad in Jehu het huis van Achab te verderven en uit te roeien ? Ik heb wel bevolen, dat dit geschieden zou, maar hij heeft de wrake, die hem opgedragen

Sluiten