Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was te volvoeren, tot een ander doel aangewend''. Hoe zoo? Omdat hij een roover werd ; want hij heeft de zonden van Achab niet gestraft, daar hij toch tot aan het einde zijns levens hetzelfde gedaan heeft, en dit is blijven doen in zijne nakomelingen, want Jerobéam was sedert hem, de vierde in het koninkrijk. ,/Dewijl dan Jehu geene verandering bracht in den toestand des lands, en gij immer volhard hebt in uwe boosheid, zal Ik deze slachtingen wreken".

Dit is eene merkwaardige Schriftuurplaats; want zij toont aan, dat het niet genoeg is, ja dat het van geenerlei gewicht of beteekenis is, dat men zich eervol gedraagt tegenover de menschen, behalve wanneer men daarbij een eerlijk en oprecht hart heeft. Wie dus slechte daden straft in anderen, behoort ze zelf na te laten, en zichzelven naar een zelfden maatstaf van recht te oordeelen als waarnaar hij anderen oordeelt. Want wie zelf de vrijheid neemt om te zondigen, terwijl hij toch anderen straft, verwekt Gods toorn over zich.

Wij zien dan nu, dat de ware beteekenis van die zinsnede: Ik zal de slachtingen van Jizreël wreken, deze is, dat Hij de slachtingen, die in het dal van Jizreël geschied zijn, zal wreken aan het huis van Jehu. Er wordt bijgevoegd : en lk zal het koninkrijk van het huis Israels vernietigen. Hij noemt het huis Israels hen, die zich van het geslacht van David hadden afgescheiden, alsof hij zeide : ,/Dit is een afzonderlijk huis". God had wel het gansche volk samengevoegd, en zij waren tot één lichaam geworden. Maar onder Jerobéam werd het van een gescheurd. Dit was het ontzettende oordeel Gods, want het was hetzelfde, alsof het volk, als een van een gereten lichaam in tweeën was gedeeld. Maar God had tot nu toe deze twee deelen bewaard, alsof zij slechts één lichaam waren, en Hij zou de Verlosser van beide volken zijn geworden, indien er geen lage afval had plaats gehad. En daar de Israelieten, als het ware verrot waren, zoodat zij nu geen deel meer uitmaakten van Zijn verkoren volk, noemt onze proleet hen met recht, bij wijze van smaad en verachting: het huis van Israël. Nu volgt: —

5. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israels boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.

Dit vers is er met voordacht bijgevoegd; want de Israelieten waren zoo opgeblazen door hun' voorspoed, dat zij om het aangekondigde oordeel lachten. Zij wisten, dat zij goed voorzien waren van wapenen, krijgsvolk en geld, kortom, zij dachten zich in ieder opzicht onoverwinnelijk. Daarom verklaart de

Sluiten