Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodig heeft, want Zijne eigene macht is Hem genoeg. Maar Hoséa gaat voort met zijne tegenstelling, want daar het volk van Israël ia het bezit was van veel vleeschelijke macht, waanden zij zich, gelijk men wel eens zegt, buiten het bereik van schicht of pijl; maar het rijk van Juda was blootgesteld aan alle gevaren, daar het noch in wapenen, noch in krijgsvolk machtig was. De profeet stelt deze dwaasheid bloot aan verachting, en zegt, dat veiligheid alleen van God afhangt, dat de menschen tevergeefs op hunne eigene dapperheid betrouwen, en dat er geene reden is waarom de nooddruftigen en hulpbehoevenden zouden wanhopen, daar God alleen meer dan volstaat om de geloovigen te behoeden. De beteekenis is dus, dat, hoewel de hulpeloosheid van het rijk van Juda aan allen ten spot en smaad verstrekte, dit toch niet zou verhinderen, dat het door de gunst Gods bewaard bleef, al zou het dan ook geen hulp van menschen erlangen. En laat ons uit deze plaats leeren dat wij niet zoo door den Heere bewaard worden, dat Hij zich daarbij nooit van natuurlijke middelen zou bedienen ; en voorts, dat, zoo Hij er zich niet van bedient, Hij toch in zichzelven volkomen volstaat om onze veiligheid te verzekeren. Wij behooren dus ons behoud en onze welvaart zoo toe te schrijven aan den Heere, dat wij niet wanen, dat er iets is, dat door onszelven, of door engelen, ot door menschen tot ons komt. Laat ons nu voortgaan.

8. Als zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een' zoon. 9. En Hij zeide: iSoemzyn naam Lo-Ammi j want gijlieden zijt Mijn volk niet, zoo zal Ik ook de uwe niet zijn.

Het spenen, waarvan de profeet hier melding maakt, wordt door sommigen in allegorischen zin verstaan; alsof hij zeide, dat het volk voor een' tijd van profetieën zou beroofd zijn, en van het priesterschap, en van andere geestelijke voorrechten, maar die verklaring is koud en onbeduidend. Ik twijfel niet, of de profeet stelt hier de lankmoedigheid Gods jegens het volk in het licht. Voordat de Heere de Israelieten ten eenenmale had verstooten, had Hij geduldig gewacht op hun berouw, indien daar dan nog eenigerlei hoop op was ; maar toen Hij bevond, dat zij zich immer gelijk bleven, is Hij er ten laatste toe overgegaan hen te straffen. Daarom zegt Hoséa, dat de dochter, die het tweede kind was, gespeend werd; alsof Hij zeide, dat het volk van Israël niet plotseling verstooten werd, want God had hen langen tijd met geduld verdragen, en het zwaarder oordeel opgeschort, totdat Hij, bevonden hebbende,

Sluiten