Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou, hoewel God toch Zijn woord niet zou vergeten. Hij leert, dat er zulk eene verwerping des volks zou plaats hebben, hoewel toch Gods verkiezing vast en onveranderlijk zou blijven ; kortom, hij leert, dat de aanneming, waarmede God de nakomelingen van Abraham had verkoren tot Zijn volk, niet krachteloos was geworden. Dat is de beteekenis van het geheel. Het getal der kinderen Israels zal dan zijn als het zand deizee, dat niet gemeten noch geteld kan worden.

Daarna voegt hij er bij : En het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn : Gijlieden zijt mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. De vraag is gedaan, of deze profetie betrekking heeft op de nakomelingen van hen, die verstrooid waren geworden. Dat voorwaar, zou vreemd zijn; want er is zulk een lange tijd voorbijgegaan sedert hunne ballingschap! Terneergeslagen en gebroken, wonen zij thans op bergen en in andere woeste plaatsen ; velen van hen, ten minste, wonen in het gebergte van Armenië; sommigen zijn in Medië en Chaldea; kortom, zij zijn verspreid door geheel het Oosten En daar nu geene wederherstelling van dit volk heeft plaats gehad, is het zeker, dat deze profetie niet beperkt moet worden tot het zaad overeenkomstig het vleesch. Want er was een bestemde tijd voor de Joden, toen de Heere hen wilde wederherstellen in hun land; en hun, aan het einde van zeventig jaren, door Cyrus werd vergund terug te keeren. Hoséa spreekt hier dus niet van het koninkrijk van Israël, maar van de Kerk, die weder hersteld zou worden door den terugkeer van Joden en Heidenen. Zoo herinnert ons Paulus, een bevoegd uitlegger van deze plaats : ,/Welke hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de Heidenen. Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind, Mijne beminde. En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was : Gijlieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden. (Hom. 1 : 24—26.) Paulus past — en zeer terecht — deze Schriftuurplaats toe op al de geloovigen, zonder onderscheid bijeenverzameld uit de Joden, zoowel als uit de Heidenen ; want anders zou, gelijk wij gezegd hebben, de juistheid der profetie niet blijken, ook komt deze beschouwing het best overeen met de bedoeling van den profeet, die ik zoo even heb aangeduid. Want, daar de geveinsden in zekeren zin de macht van God verbinden aan hen zeiven, zegt de profeet, dat God, indien het Hem behaagt, in een oogenblik eene nieuwe Kerk kan verwekken, die het zand der zee in getal zou overtreffen. Hoezoo? God zal zich eene Kerk scheppen. Waaruit? Uit steenen, uit niets; want gelijk Paulus elders zegt: Hij „roept

Sluiten