Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bedoeling is door Zijne ongeloofelijke macht te overtreffen al wat in het hart of de gedachte der menschen zou kunnen opkomen.

Alzoo behoort dan deze zinsnede: Het getal der kinderen lsraels zal zijn als het zand der zee aldus verklaard te worden : God zal Zijne kerk bijeenvergaderen van alle zijden, van uit de Heidenen zoowel als van uit de Joden, als de geheele wereld zal denken, dat zij, namelijk de Kerk, heeft opgehouden te bestaan.

En het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden : Gij zijt kinderen des levenden Gods. In deze woorden wordt door den profeet de genade Gods uitgebreid ; alsof hij zeide : Als God Zijne Kerk weder herstellen zal, zal haar toestand voortreffelijker zijn dan te voren". Hoe zoo ? //Zij zullen niet alleen", zegt hij, ,/Gods volk zijn, maar kinderen des levenden Gods"; dat wil zeggen, dat God zich aan hen, die Hij dus plotseling tot één lichaam bijeenvergaderen zal, meer gemeenzaam als Vader zal betoonen. Wèl erken ik, dat de ouden onder de wet met dezen titel geëerd werden, maar wij moeten ons nu bij deze Schriftuurplaats bepalen; want de profeet brengt de twee zinsneden in tegenstelling met elkander: En het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn : Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. Hij zou gezegd kunnen hebben : ,/En het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn : Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal zijn : Gij zijt thans Mijn volk" ; maar hij klimt hooger; God zal Zijn nieuw volk grooter eer aandoen; want Hij zal hun door dezen titel der aanneming meer openlijk Zijne gunst betoonen : en dit is hun allen gemeen, aan de Heidenen, zoowel als aan de Israelieten. Wij moeten dit niet, gelijk men gemeenlijk doet, uitsluitend op de Heidenen toepassen : want Hoséa spreekt hier niet slechts van de Kerk, die God zich van uit de Heidenen heeft verkregen, maar van het geheele Israël Gods, een deel waarvan het zaad Abrahams is. Laat ons dan weten, dat God hier Zijne genade in het algemeen aanbiedt, aan de Israelieten, zoowel als aan de Heidenen, en getuigt, dat Hij, na Zijn volk rechtvaardiglijk te hebben verworpen, aan allen wil doen weten, dat Hij Zijn verbond niet heeft vergeten, want Hij zal zich eene veel grooter Kerk verkrijgen — van waar ? Gelijk gezegd is : van uit de kinderen Abrahams, zoowel als van vreemden.

Er is eene gewichtige beteekenis in het werkwoord : ,/Daar zal gezegd worden" : Het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn : Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden, — de profeet bedoelt, dat onze verlossing niet blijkt, voordat de Heere begonnen is ons Zijn welbehagen

Sluiten