Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— dat God in Zijne liefde hen wederom omhelst, of wil omhelzen, die Hij te voren verworpen had, en ter zelfder tijd een scheidbrief geeft en den huwelijksband losmaakt. Maar als wij het oogmerk van den profeet van naderbij beschouwen, zullen wij zien, dat er volstrekt geene tegenstrijdigheid is in deze woorden, maar dat zij zeer wel met elkander overeenkomen. Hij heeft wel beloofd dat God in de toekomst den Israelieten genadig zou zijn ; maar daar zij nu nog van geen berouw of bekeering blijk gaven, was het noodig, dat er opnieuw streng met hen gehandeld werd, opdat zij zich werkelijk volkomen onderworpen tot God zouden keeren. Zoo zien wij dat in de Schrift beloften en bedreigingen dooreen gemengd zijn, en dat wel zeer terecht. Want als de Heere eene gansche maand zou doorbrengen met zondaren te bestraffen, zouden zij in dien tijd toch nog honderd maal weder in het kwaad terugvallen. Na den menschen dus hunne zonden getoond te hebben, voegt God er eenige vertroostingen aan toe en matigt Hij Zijne strengheid, opdat zij niet zouden vertwijfelen Daarna keert Hij weder terug tot de bedreigingen, en doet dit uit noodzaak : want hoewel de menschen verschrikt kunnen worden door de vreeze voor strat, komen zij toch niet werkelijk tot bekeering. Dus is het noodig, dat zij niet slechts nu en dan, maar zeer dikwijls bestraft worden.

Wij zien dan nu wat de profeet op het oog had : hij had gesproken van de afvalligheid des volks; daarna toonde hij aan, dat het volk rechtvaardiglijk door den Heere was verworpen, en vervolgens beloofde hij hun de hoop op vergeving. Maar ziende, dat zij nog bleven volharden in hunne ondeugden, bestrafte hij wederom degenen, voor wie zulk eene kastijding noodig was. In één woord : hij had hun tegenwoordigen toestand op het oog.

Schier allen verklaren dit vers in dier voege, alsof de profeet het woord richtte tot de geloovigen, en die verklaring is zeer spitsvondig, want zij zeggen, dat de profeet spreekt tot de geloovigen, die van de synagoge waren afgevallen. Ik twijfel echter niet, of die allen hebben zich grootelijks vergist, want de profeet toont integendeel, dat God rechtvaardiglijk de Israelieten strafte, die zich op dezelfde wijze als de geveinsden plachten te verontschuldigen. Als de Heere niet met hen handelde naar zij het wenschten, beklaagden zij zich, en dreigden zij met twist — „Wat beteekent dit?" Zoo zien wij hen voorgesteld als aldus te spreken door Jesaja in hoofdstak 58. Daar strijden zij heftig met God, alsof de Heere onrechtvaardig met hen handelde; want zij schenen zich van geenerlei kwaad bewust. Daarom zegt de profeet, ziende dat de Israelieten zoo zinneloos waren in hunne zonde: Twist, twist tegen ulieder

Sluiten