Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gelaat en versieren hare borsten. De wulpschheid vertoont zich dus op het gelaat en op de borsten. Maar de uitleggers roeren niet aan wat de profeet op het oog had. Ongetwijfeld stelt de profeet hier de schaamteloosheid des volks in het licht; want zij hadden zich nu zóó verhard in hunne verachting van God, in hun goddeloos bijgeloof, in allerlei boosheid, dat zij waren als hoeren, die hare laagheid niet verbergen, maar zich openlijk veil geven, ja de teekenen harer schaamteloosheid toonen in hare oogen zoowel als in elk deel van haar lichaam. Wij zien dus, dat het volk hier beschuldigd wordt van onteerende schaamteloosheid, daar zij zóó verhard waren, dat zij wenschten bekend te zijn voor wat zij waren. Evenzoo stelt Ezechiël hun smadelijk gedrag in het licht: „Uitgespreid heeft de hoere hare voeten, zij riep allen aan, die voorbijgingen" (Ezech. 16 : 25).

Nu verstaan wij waarom de profeet uitdrukkelijk zeide: Laat ze hare hoererijen van haar aangezicht, en hare overspelerijen van tusschen hare borsten icegdoen : want hij leert, dat de ondeugden van het volk niet bedekt of verborgen waren, en dat zij thans niet, gelijk de geveinsden, in het verborgen zondigden en hunne slechtheid bedekten, maar dat zij zoo teugelloos waren in hun verachten van God, dat zij als openbare hoeren waren geworden.

Dit is eene merkwaardige plaats ; want wij zien ten eerste, dat de menschen zonder oorzaak klagen, als de Heere strengelijk met hen schijnt te handelen ; want zij zullen altijd bevinden, dat de schuld ligt aan hen zeiven en aan hunne ouders; ja wanneer zij onpartijdig zijn, zullen zij moeten erkennen, dat allen besloten zijn in één en dezelfde schuld. Laat ons dan hieruit leeren, om, zoo de Heere ons kastijdt, tot ons zeiven in te keeren, en te erkennen, dat Zijne strengheid jegens ons rechtvaardig is, ja, zoo wij oogenschijnlijk verworpen waren, zouden wij toch moeten belijden, dat dit door onze eigene schuld is, en niet vanwege Gods bovenmatige strengheid. Ook zien wij hoe nietig het voorwendsel is van hen, die tegenover God het gezag stellen van hunne vaderen, gelijk de Papisten plegen te doen. Want als zij konden, zouden zij er God rekenschap voor vragen, dat Hij hen verlaat, en hen thans niet erkent als Zijne Kerk. „Hoe! heeft God ons niet Zijne trouw verpand ? Is niet de Kerk Zijne bruid ? Kan Hij ontrouw zijn ?" Zoo spreken de Papisten, maar intusschen bedenken zij niet, dat hunne moeder zich door hare veelvuldige gruwelen ten eenenmale verontreinigd heeft; zij bedenken niet, dat zij verstooten werd, omdat de Heere hare groote boosheid niet langer kon dragen. Laat ons dan weten, dat het doelloos is, om bij God met het voorbeeld van menschen aan te komen, want wat hier door den profeet gezegd is, blijft immer waar; dat God aan Zijne

Sluiten