Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn brood en mijn water geven. Maar ik kan heden niet eindigen, en moet den volzin dus afbreken.

Er blijft ons nu nog over te verklaren wat de profeet zegt betreffende de Israelieten, dat zij roemden op hun' overvloed van wijn en olie, en alle goede dingen als tot hun gekomen door hun bijgeloof. Wat zij dus aan God alleen hadden behooren toe te schrijven, schreven zij dwaselijk toe aan hunne afgoden. Van deze ondankbaarheid beschuldigt de proleet hen in den naam van God, en alsot Hij zelf door hem tot hen sprak, en tevens toont hij, dat de goddeloozen zoo misleid zijn door hun' voorspoed, dat zij zich al meer en meer verharden in hun bijgeloof, en dit is niet slechts eenmaal, of op éénen tijd het geval, maar het is schier algemeen in de wereld. Wij zien hoe vol van hoogmoed heden ten dage de Papisten zijn, omdat zii heerschappij voeren in de wereld en in het bezit zijn van riikdom en eer. Zij verbeelden zich, dat hun dienst Gode welbehaaglijk is, omdat Hij zich niet openlijk tegen hen stelt en van zijn toorn jegens hen doet blijken ; en zoo is het geweest

van het begin der wereld. .

Maar de profeet veroordeelt hier deze dwaze aanmatiging, opdat wij mogen leeren, niet altijd over Gods beide voor e menschen te oordeelen naar hun' voorspoed, of als het hun naar wensch gaat. Er zijn hier dus twee zaken waarop gelet

moet worden, dat de bijgeloovigen valschelijk aan hunne afgoden

toeschrijven, wat alleen van God komt; en voorts, dat zy tot de gevolgtrekking komen van God bemind te zijn, als Hij hen niet onmiddelijk treft door Zijne wrake. Wij bevinden dat de inwoners van Sodom om dezeltde reden zich verhard hebben in hunne zonden ; toen zij overvloed hadden en zich baadden in genot, waanden zij, dat zij Gode behaagden. Laat ons nu voortgaan met hetgeen volgt.

6. Daarom ziet, Ik zal uwen weg met doornen betuinen, en Ik zal een' heiningmuur maken, dat zij hare paden niet zal vinden.

De profeet vervolgt hier het onderwerp, dat wij gisteren reeds aanroerden ; want hij toont hoe noodig de kastijding is, als het volk zich behaagt in zijne ondeugden. En wanneer God ziet, dat de menschen niet dadelijk hunne zonden belijden dan verdedigt Hij Zijne eigene zaak, zooals iemand die pleit voor een' rechter. Kortom, God toont hier, dat Hij niet anders kan, dan zoo groot eene hardnekkigheid in het volk te straften, daar er geen ander middel scheen overgebleven.

Sluiten