Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij het duidelijk getuigenis van Mozes; en het land Kanaan zelf was eene levende voorstelling der Goddelijke gunst. Het was dus een ontzettende waanzin van het volk, dat zij, die door het woord en door de feiten onderricht waren, dat God alleen de Gever is van alle dingen, toch deze waarheid voorbijzagen.

De profeet veroordeelt dus deze verregaande dwaasheid van het volk, waarvoor noch de ervaring, noch het onderwijs der wet iets baatte. Zij bekende niet, zegt hij. Er moet nadruk gelegd worden op het voornaamwoord zij; want het volk behoorde gemeenzaam bekend te zijn met God, daar zij toch opgevoed en onderwezen zijn geworden in Zijn huisgezin, als eene vrouw, die de gezellin is van haren man. Het was dus niet te verontschuldigen, dat zij aldus hun hart en hunne gedachten van God hadden afgewend.

Zij bekende dus niet, dat Ik haar het koren en den most, en de olie gegeven héb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baal gebruikt hebben. Het werkwoord beteekent hier niet slechts maken, maar gebruiken tot een zeker doel. Zij hebben dus goud gebruikt voor Baal. Terwijl zij Mij de eerstelingen van alle goede dingen hadden behooren te wijden, in gehoorzaamheid aan Mij en om Mijn' naam te eeren, hebben zij alle zegeningen, die Ik hun schonk, voor Baal gebruikt. Wij zien dus dat in dit vers tweeërlei kwaad veroordeeld wordt, — dat het volk God van Zijne rechtmatige eer beroofde, en dat zij aan hunne afgoden toebrachten, wat zij alleen aan God hadden moeten geven. Maar hij heeft die laatste slechtheid aangestipt in het vijfde vers, waar hij, het volk voorstellende, zegt: Ik zal mijne boelen naloopen, die mij mijn brood en mijn water, mijne wol en mijn wijn geven, enz. Hier nu herhaalt hij, dat zij, goud voor Bacil hadden gebruikt.

Wat nu den naam Baal betreft, de bijgeloovigen begrepen onder dien naam ongetwijfeld allen, die zij mindere goden noemden. De Israelieten waren voorzeker niet door zoodanigen waanzin bevangen, om te hebben vergeten, dat er slechts één Maker is van hemel en aarde. Zij handhaafden dus het beginsel, dat ér een opperste God is; maar zij voegden er hunne beschermgoden aan toe, en dit was het eenerlei gebruik bij alle volken. Zij dachten dus niet, dat God ten eenenmale van Zijne eer beroofd werd, als zij Hem hunne beschermers of mindere goden toevoegden. En zij noemden ze met een' algemeenen naam, Baalim, of, beschermheeren. Een Baal van iedere soort was een beschermer. Sommigen vertalen het door man, of echtgenoot. Maar ik twijfel niet, of dwaze menschen koesterden het bijgeloovig denkbeeld, dat mindere goden de menschen meer nabij komen, als het ware de middelaars zijn

Sluiten