Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Israelieten mishaagde, namelijk dat de Godsdienst door hen verdorven was; want er is niets dat meer noodig is geweten te worden, dan dat men den menschen, opdat zij zich aan eene zuivere aanbidding Gods zouden gewennen, moet betuigen, dat alle bijgeloof Gode zulk een gruwel is, dat Hij het niet dulden of dragen kan.

Daarom zegt Hij : Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baüls, dat is: als de Israelieten zich zonder tempel zullen zien, beroofd van offers en nieuwe maanden, en geenerlei uitwendigen vorm van Godsvereering meer zullen hebben, zoo laat hen weten, dat zij aldus gestraft zijn, omdat zij Baalim in plaats van den eenigen waren God hebben aangebeden. Tevens zinspeelt de profeet wederom op hoeren, die zich fraaier en met meer zorg versieren, als zij uitzien naar hare boelen, teneinde hun te boeien door hare bekoorlijkheden. Zij heeft zich versierd, zegt hij, met hare voorhoofdsiersels en haar halssierraad.

Dit doen bijgeloovigen gewoonlijk als zij hunne hoogtijden vieren, want zij denken dat een groot deel der heiligheid bestaat in de pracht der gewaden; en wij zien dat deze domheid tot op den huidigen dag nog heerscht onder de Pausgezinden, want zij denken, dat zij God, of liever hunne afgoden, zouden onteeren, indien zij zich niet versieren als zij hunne heilige plechtigheden gaan verrichten. Dit was dus eene algemeen heerschende dwaling en gebruik. Maar ten einde nog duidelijker te toonen, dat God zoodanige grove bijgeloovigheden verafschuwde, zegt de profeet, dat zij als hoeren waren. Want gelijk eene lichtekooi zich blanket en zich prachtig aankleedt en hare versierselen aandoet en zich tooit met goud en juweelen om mannen te lokken, zoo, zegt hij, hebben de Israelieten gedaan, zij hoereerden en droegen de teekenen hunner onkuischheid. Dit alzoo is de toespeling als de profeet zegt, dat zij zich versierd heeft met haar voorhoofdsiersel, en haar halssierraad, en hare boelen nagegaan is.

Zeer treurig voorwaar is hetgeen hij aan het einde van het vers er bij voegt. Mij, zegt hij, heeft zij vergeten. God klaagt hier dat de huwelijksgemeenschap niet baatte : hoewel Hij zoo lang bij het volk had gewoond, hen milddadig en vriendelijk had behandeld, was de gedachtenis hieraan toch als begraven. Mij, zegt Hij, heeft zij vergeten. Er is hier dus eene stilzwijgende vergelijking tusschen de Israelieten, die God aan zich verbonden had, en andere natiën, die van den waren Godsdienst niets afwisten, ook niet wisten wie de ware God was. Het was inderdaad niet te verwonderen, dat de Heidenen zich door de bedriegerijen van Satan lieten misleiden , maar van de Israelieten, die goed onderwezen en lang gewend waren aan de zuivere aanbidding Gods, was het een monsterachtige ondankbaarheid

Sluiten