Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwen, inaar dit driemaal herhaalt. De profeet schijnt toen inderdaad van eene ongelooflijke zaak te hebben gesproken : immers, welk een voorbeeld is het, dat de Heere eene afschuwelijke hoere tot vrouw zou nemen ? Ja, dat Hij opnieuw een huwelijk zou aangaan met eene onreine overspeelster, die als gedompeld was in losbandigheid ? Dit scheen iets monsterlijks. Opdat dus niets de zielen zou verhinderen om te steunen op de belofte, zegt de profeet: „Twijfelt niet, want de Heere verzekert u veel malen, dat dit waar is".

En daar wij nu deze belofte met hen gemeen hebben, zien wij door de woorden van den profeet wat het begin is onzer verlossing : God heeft zich de Israelieten ondertrouwd toen zij door Zijne goedheid en barmhartigheden uit de ballingschap terugkeerden. Welke gemeenschap hebben wij met God, als wij geboren worden, tenzij Hij ons genadiglijk aanneemt? Want wij weten, dat wij niets medebrengen dan eene vervloeking; dat is het erfdeel van geheel het menschdom. Dit nu zoo zijnde, moet onze verlossing noodzakelijkerwijs haren grond hebben in de goedheid en barmhartigheid Gods. Maar er is ten onzen opzichte nog eene andere reden, als God ons in gunst aanneemt; want onder het Pausdom waren wij verbondbiekers; er was niet een van ons, die niet was afgeweken van zijne doopsbelofte, en zoo zouden wij Gods gunst niet weder deelachtig zijn kunnen worden, zoo Hij zich niet vrijwillig aan ons verbonden had; en God heelt ons niet slechts vergiffenis geschonken, maar Hij heeft ook opnieuw een huwelijksverbond met ons gesloten, zoodat wij thans, gelijk als in de dagen onzer jeugd, Hem openlijk dank kunnen toebrengen.

Maar wij moeten nog stilstaan bij dien korten volzin Zij zullen den Heere kennen. Wij zien in waarheid, dat wij gansch en al in dwaling zijn, zoodra wij van de rechte en zuivere kennis van God afwijken, ja gansch verloren zijn. Dewijl dan ons heil bestaat in het licht des geloofs, behoort onze geest immer tot God gericht te zijn, opdat onze vereeniging met Hem, die Hij door het Evangelie heeft tot stand gebracht, vast en blijvend zou zijn. Daar dit echter niet van de macht of den wil des menschen afhangt, komen wij tot deze duidelijke gevolgtrekking, dat God niet slechts in de uitwendige prediking Zijne genade aanbiedt, maar ook in de vernieuwing van ons hart. Tenzij God ons zich dus als een nieuw volk herschept, is er in het verbond, dat Hij thans met ons maakt, niet meer vastheid, dan in het oude, dat Hij te voren met de vaderen gemaakt heeft onder de wet, want als wij ons vergelijken met de Israelieten, bevinden wij, dat wij niets beter zijn. Daarom is het noodig, dat God inwendig en krachtig werkt in ons hart, opdat Zijn verbond vast blijve, ja, daar het kennen van

Sluiten