Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hem de bijzondere gave des Geestes is, kunnen wij met zekerheid tot de gevolgtrekking komen, dat hetgeen hier gezegd is niet alleen betrekking heeft op de uitwendige prediking, maar dat de genade des Geestes er bijgevoegd wordt, waardoor God ons vernieuwt naar Zijn beeld, gelijk wij reeds aangetoond hebben door eene plaats in Jeremia. Maar opdat wij niet schijnen te ontleenen aan eene andere plaats, kunnen wij zeggen, dat het uit de woorden van den profeet duidelijk blijkt, dat er geen andere band der vastheid is, waardoor het verbond Gods versterkt en bewaard wordt, dan het kennen van Hem, welke kennis wij van Hem zeiven verkrijgen. Hij brengt haar tot ons niet slechts door uitwendig onderwijs, maar doordat Hij ons hart verlicht door Zijn' Geest, ja door de vernieuwing van ons hart. Nu volgt:

21. En liet zal te dien dage geschieden, dat Ik verhooren zal, spreekt de Heere ; Ik zal den hemel verhooren, en die zal de aarde verhooren. 22. En de aarde zal het koren verhooren, mitsgaders den most en de olie ; en die zullen Jizreël verhooren.

Wederom belooft de Heere, dat Hij niet in gebreke zal blijven tegenover het volk, als zij met Hem verzoend zullen wezen. Het moet inderdaad ouze eerste begeerte zijn, dat God ons genegen zij; want zij zijn wel dwaas, die goed en gelukkig wenschen te leven, maar zich niet om Gods gunst bekommeren. De profeet toont aan, wanneer het geluk der menschen begint, het begint als God hen aanneemt als Zijn volk, en als Hij, hunne zonden uitgedelgd hebbende, hen zich ondertrouwt. Daarom is het noodig dit in de eerste plaats te zoeken, want, gelijk wij gezegd hebben, de begeerte om gelukkig te zijn is verkeerd, als wij in de eerste plaats de zegeningen zoeken van het aardsche leven, als wij gemak zoeken, overvloed van goede zaken, gezondheid des lichaams en dergelijke meer. Daarom toont nu de profeet, dat wij dan slechts gelukkig zijn, als de Heere met ons verzoend is, en dat niet alleen, maar wanneer Hij ons omhelst in Zijne liefde, een heilig huwelijk met ons aangaat, en onder deze voorwaarde, dat Hij ons een Vader en Behouder zal zijn, en dat wij veilig en zeker zullen wezen onder Zijne hoede en bescherming.

Maar intusschen daalt Hij ook af tot zaken van meer ondergeschikt belang. Ons geluk is wel, gelijk wij gezegd hebben, gelegen in de genieting van Gods liefde, maar er zijn nog toevoegselen, die daarna volgen ; want de Heere voorziet, en strekt

Sluiten