Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te betoonen aan de onwaardigen, als Hij met hen verzoend is. Hoewel zij dus veeleer Jizreëlieten waren dan Jsraelieten, zou hunne onwaardigheid voor God geene verhindering wezen om milddadiglijk jegens hen te handelen. Er kan hier ook eene toespeling wezen op een nieuw volk, want in het volgende vers rrnritt' en Ik zal haar zaaien, en het woord Jizreël is verwant aan dit werkwoord, daar het afgeleid is van dat

is zaaien, en daar de profeet er aanstonds bijvoegt, dat Jizreël als het ware het zaad Gods is, heb ik geen bezwaar tegen die veronderstelde toespeling. Evenwel, de profeet schijnt hier de genade Gods te loven, als hij verklaart, dat zij Jizreëlieten waren, jegens wie God zoo goedertierenlijk zou handelen, dat Hij om hunnentwil de aarde vruchtbaar zal maken.

Laat ons nu de substantie van dit alles nog eens herhalen : Het koren en de most en de olie zal Jizreël verhoor en. De Israelieten waren uitgehongerd, en gelijk dit gewoonlijk het geval is met hen, die gebrek hebben aan voedsel, riepen zij : //Wie zal ons brood geven, en wijn en olie?" Want de maag heeft geene ooren, gelijk men zegt, en evenmin heeft zij verstand en oordeel : als er zeer groot gebrek is, zullen de menschen, als verbijsterd, roepen om brood, en wijn, en olie. God acht dus op dit blinde instinct der menschen, dat slechts hunkert naar hetgeen hen verzadigen kan : daarom zegt hij : Het koren, en de most, en de olie zullen Jizreël verhooren, — maar wanneer ? Als de aarde boomen zal opleveren met sap en vochtigheid, en hare kracht zal uitstrekken tot het zaad, dan is het, wanneer de aarde het koren, en den most en de olie zal verhooren, want deze groeien niet van zelf, maar ontleenen levenskracht aan de aarde; vandaar dat gezegd wordt, dat de aarde ze zal verhooren. Maar kan de aarde uit zichzelve het koren, of den most, of de olie niet verhooren ? Neen, niet anders, dan wanneer de regen van den hemel nederdaalt. Dewijl dan de aarde zelve sap en vochtigheid van den hemel ontleent, zien wij, dat de menschen tijdens een' hongersnood te vergeefs roepen, zoo zij niet opzien naar den hemel; en de hemel wordt geregeerd door den wil van God. Laten de menschen dus leeren tot God op te klimmen, ten einde van Hem hun dagelijksch brood te verwachten.

Wij zien dus nu hoe gepast de climax is, door den profeet gebruikt, waardoor God vanwege het ongeoefende en zwakke begrip der menschen, hen ten laatste tot zich opvoert. Want zij richten hunne gedachten op brood, en wijn, en olie; daarin zoeken zij voedsel: in dit opzicht zijn zij zeer stompzinnig. Het zij zoo; God is toegeeflijk voor hunne onkunde en onwetendheid; want trapsgewijze komt Hij van koren, wijn en olie, tot de aarde, en van de aarde naar den hemel, en daarna

Sluiten