Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toont Hij, dat de hemel geen regen kan nederstorten dan naar Zijn' wil. Na volgt ten slotte: —

23. En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama ; en Ik zal zeggen tot LoAnimi: Gij zijt Mijn volk ; en dat zal zeggen : O myn God!

De profeet maakt hier gebruik van de gelegenheid om van de toeneming des volks te spreken. Hij had eene vruchtbare, ruime opbrengst van koren, most en olie beloofd ; maar waartoe zou dit dienen, indien er geene talrijke inwoners waren in het land ? Daarom was het noodig dit er aan toe te voegen. Daarentegen had de profeet te voren gezegd: //Hoewel gij zeer talrijk zijt, zal toch slechts een overblijfsel behouden worden". Thans stelt hij Gods nieuwe gunst tegenover Zijne wrake, en zegt, dat God het volk wederom zal zaaien.

Deze uitdrukking doet ons zien, dat de toespeling in het woord Jizreël niet ten onrechte door sommigen aldus verklaard werd, dat zij, die te voren een ontaard volk zijn geweest, en geene ware Israelieten, alsdan het zaad Gods zullen wezen ; maar de woorden hebben tweeërlei zin; want IhT heeft betrekking zoowel op de aarde als op zaad. De Hebreën zeggen : „De aarde is gezaaid," en ook „de tarwe", of een ander graan, „is gezaaid". Indien dus de profeet het volk vergelijkt bij de aarde, dan zal dit de zin wezen : Ik zal het volk zaaien, gelijk Ik de aarde zaai; dat is: Ik zal hen vervullen, zooals de aarde, wanneer zij vruchtbaar is. Men moet dus overzetten : „Ik zal haar voor Mij zaaien als de aarde," dat is : alsof zij Mijne aarde ware. Of men kan ook aldus vertalen : Ik zal haar voor Mij zelf zaaien in de aarde, en te dien einde, dat de aarde, die een tijdlang woest en eenzaam was, inwoners moge hebben, gelijk wij weten, dat het geval was. Dat het. voornaamwoord het vrouwelijk geslacht heeft, behoeft ons niet in verlegenheid brengen, want de profeet spreekt immers als van eene vrouw, daar het volk, gelijk wij weten, ons voorgesteld is in het karakter eener vrouw.

Daarna voegt hij er bij j-|^rR Hij spreekt hier van Lo-

Ruchama, óf als van eene overspelige dochter, óf als van eene overspelige vrouw, die de echtgenoot tot zich neemt. Wat de zaak zelve betreft, het is gemakkelijk te zien, wat de profeet bedoelt, namelijk, dat God eene nakomelingschap ver en wijd zal verspreiden, als het volk niet slechts tot op een klein aantal zal verminderd zijn, maar schier tot niets; immers, hoe weinig minder dan een algeheele ondergang was de leegte, de veria-

Sluiten