Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit vers heeft aan vele uitleggers aanleiding gegeven om te denken, dat alles wat wij te voren opgemerkt hebben, alleen tot de priesters beperkt moet worden ; maar er bestaat hiervoor geene genoegzame reden. Wij hebben reeds gezegd, dat de profeet dikwijls de gewoonte heelt om in zijne rede van het volk over te gaan op de priesters; dewijl echter eene grootere zonde drukte op de priesters, gebruikt hij dikwijls zeer strenge woorden jegens hen, gelijk hij ook aan deze plaats doet. Aij eten, zegt hij, de zoncle mijns volks en heffen tot hunne onge rechtigheid zijne ziele op, dat is: „een iegelijk heft zijne ziele op", of ,/zij heffen door ongerechtigheid de ziel op van den zondaar. Want het voornaamwoord heeft betrekking zoowel op de priesters als op het volk. Het getal van het werkwoord is veranderd want hij zegt : en 1 in het. m®er"

voud, zij zullen de zonde eten, en zullen opheffen, enz. in den derden persoon; en dan, zijne ziel; dit kan wezen: hunne eigene-, het is echter een voornaamwoord in het enkelvoud, vandaar dat eene verandering in het getal noodzakelijk is. Wij zijn dus vrij om te kiezen, óf dat de profeet dit zegt van het volk öf van de priesters; en, gelijk wij gezegd hebben, het kan op beide toegepast worden, maar in verschillenden zin.

Wij kunnen hem verstaan als zeggende, dat de priesters hunne ziel ophieven tot de ongerechtigheid des volks, omdat zij vurig verlangden, dat het volk zich aan vele ondeugden zou overgeven, want daardoor hoopten zij veel geldelijk voordeel te verkrijgen, zooals wanneer iemand eene belooning veiwacht van roovers : hij verblijdt zich te hooren, dat zij lijk geworden zijn, want hij acht dat hun' rijkdom gewin voor hem zal opleveren. Zoo was het met de priesters, die hunkeiden naar gewin, zij vonden dat zij er wel bij voeren, als het volk vele offers bracht. En dit is gewoonlijk het geval, als de leer der kerk vervalscht wordt, en de goddeloozen denken, dal alleen dit hun te doen overblijft: - God tevreden te stellen met offers en dergelijke verzoeningsmiddelen. Passen wij deze plaats dus toe op de priesters, dan is dit opheffen der ziel zucht naar gewin. Geven wij er echter de voorkeur aan die woorden toe te passen op de zondaars zeiven, dan is de zin : ,/Zij verhellen hunne ziel op hunne ongerechtigheid", dat is : de schuldigen richten zich op door valsche vertroostingen, en versmoren onder hunne eigene vleierijen wat er nog van vreeze Gods in hen is overgebleven. Volgens dezen tweeden zin is dus het verhellen der ziel bedriegen, alle gewetensbezwaren weg te nemen door ij dele vertroostingen, en alle schuldgevoel door een valsch vertrouwen.

Nu kom ik tot de beteekenis van het geheel. Hoewel de profeet hier de priesters beschuldigt, omvat hij toch ongetwijfeld

Sluiten