Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen maar heel veel zaken naar den tempel brachten. Ook het volk toonde hunne verachting van God, want zij verbeeldden zich, dat zij, zoo zij slechts voldoening gaven door hunne ceremonieele handelingen, wel gevrijwaard zouden zijn voor straf. Aldus was er een goddeloos verdrag tusschen de priesters en het volk, en werd de Heere door hen allen bespot. Nu verstaan wij de wezenlijke bedoeling van den profeet, en zoo geef ik deJ voorkeur aan deze laatste uitlegging van „het opheffen deiziel", welke hierin bestaat, dat de priesters de ziel ophieven van een iegelijk, door hunne conscientie te paaien, door hunne sussende woorden van vleierij, en door, gelijk Ezechiël zegt, het leven te beloven aan zielen, die veroordeeld zijn om te sterven. (Ezech. 13 : 19) Nu volgt: —

9. Daarom gelijk het volk, alzoo zal de priester zijn ; en Ik zal zyne wegen over hem bezoeken en zijne handelingen hem vergelden. 10. En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereeren, maar niet uitbreken in menigte: want zij hebben nagelaten den Heere in acht te nemen.

Wederom kondigt de profeet hier eene gemeene straf aan beiden aan, daar geen hunner vrij was van schuld. Gelijk het volk, zegt hij, alzoo zal de priester zijn; dat is : „Ik zal noch den een sparen, noch den ander; want de priester heeft het eereambt, waarmede hij was bekleed, misbruikt; want hoewel hij door God over de Kerk was gesteld om het volk bij heiligheid en Godsvrucht te bewaren, heelt hij ieder recht beginsel veronachtzaamd en verzaakt; en het volk wenschte ook zulke leeraars te hebben, namelijk dezulken, die stom waren. „Daarom zal ik nu", zegt de Heere, eene zelfde straf over hen laten komen. Gelijk dus het volk is, zoo zal de priester zijn".

Sommigen gaan nog verder en zeggen : de beteekenis is, dat God den priesters hunne eer of waardigheid zal ontnemen, zoodat zij in niets verschilden van het volk, hetgeen voorzeker waar is, maar intuschen zijn zij ook van meening, dat de profeet niet anderen bedreigt, zoowel als de priesters, en dat is niet waar. Want hoewel God, als Hij de priesters en het volk straft wegens hunne verachting van Zijne wet, de eer van het priesterschap uitdelgt, en die waardigheid alzoo te niet doet, dat er eene gelijkheid door ontstaat tusschen de grooten en geringen; zoo verklaart de profeet hier toch ongetwijfeld, dat God de Wreker zal worden Zijner wet tegenover andere zondaren, zoowel als tegenover de priesters. Dit onderwerp heeft

Sluiten