Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus eene wijdere strekking dan de beteekenis, die zij er aan geven. Morgen zullen wij dit verder behandelen.

In de lezing van gisteren is mij ééne zaak ontgaan, waarbij ik nu kortelijk zal verwijlen. Men zou kunnen vragen waarom de profeet zegt, dat de priester van zijne waardigheid ontzet zou worden, die toch geen waar noch wettig priester was, want wij weten, dat er onder de Israelieten geen tempel was, waarin God op de rechte wijze werd aangebeden. Want hoewel zij gewoon waren den naam van den waren God te belijden, weten wij toch, dat dit een ijdel voorgeven van hen was. Daar de Heere slechts het ééne heiligdom had verkoren, dat te Jeruzalem was, volgt hieruit, dat al de priesters onder het volk van Israël valsche priesters waren. Zoo kon dan God hun ook niet hunne eer of waardigheid ontnemen. Maar het is niets nieuws of ongewoons, dat God de goddeloozen straft, door hun te ontnemen ook wat zij schijnen te bezitten.

Heden tendage is dit evenzoo met het Pausdom ; want zij, die er zich op beroemen geestelijken en priesters te zijn, zijn niets dan namaaksels; dewijl zij echter hun titels en benamingen behouden, kan ook met recht van hen gezegd worden, wat de profeet tegen de priesters van zijn tijd dreigde, nl. dat hunne schande openbaar zal worden, zoodat zij zullen ophouden te bogen op hunne waardigheid, waarmede zij thans de eenvoudigen en onwetenden bedriegen.

Nu verstaan wij de bedoeling van den profeet: zijne bedoeling is dezelfde als toen hij te voren gezegd heeft : wIk zal u in de woestijn trekken, en dan zal de efod ophouden en dan zullen de terafim ophouden''. Er was, naar wij weten, geen efod, dien de Heere goedkeurde, behalve die eene, welken de wettige priester droeg, dewijl er echter wedijver was tusschen de Israelieten en de Joden, en dewijl zij, die van de ware en zuivere aanbidding Gods waren afgeweken, toch nog roemden, dat zij den God van Abraham aanbaden, verklaart de Heere hier, dat Hij niet zou toelaten, dat zij onder dit mom bleven verscholen.

Ik keer thans terug tot die plaats bij den profeet, waar hij zegt: Zij zullen eten maar niet zat worden, en wederom : Zij zullen hoereeren, maar niet uitbreken in menigte ; want zij hebben nagelaten den Heere in acht te nemen. Wederom verkondigt de profeet hier het oorieel, dat weldra over de Israelieten komen zou. Ten eerste zegt hij : Zij zullen eten maar niet zat worden, waarmede hij zinspeelt op het laatste vers. Want de priesters hunkerden naar gewin, en hunne eenige zorge was hunne lusten te bevredigen. Dewijl alzoo hunne begeerlijkheid onverzadelijk was, hetgeen mede de oorzaak was, waarom zij

Sluiten