Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dewijl dwaze menschen zich dus tevreden stellen met bloote voorbeelden, en geen acht slaan op hetgeen God eischt, spreekt de profeet in heftige bewoordingen tegen deze beide plaatsen, Bethel en Gilgal. Komt niet, zegt hij, te Gilgal, en gaat niet op naar Üeth-A.ven. Maar wij moeten letten op de naamsverandering, die de profeet maakt, want hij noemt de plaats niet bij haien eervollen naam, Bethel, hij noemt haar het huis der ongerechtigheid. Het is voorzeker waar, dat God zich aldaar aan Zijn' dienstknecht Jakob had geopenbaard ; maar Hij heeft die plaats toch niet blijvend voor zich bestemd ; Hij heeft niet gewild, dat Hem aldaar een blijvend altaar zou opgericht worden ; het visioen was slechts tijdelijk. Indien het volk telkenmale als de naam dier plaats genoemd werd, in hun geloof bevestigd ware geworden, dan zou dit zeer aanbevelenswaardig geweest zijn ; maar zij weken af van het ware geloof, want zij verachtten het vaste, stellige gebod Gods, en gaven de voorkeur aan hetgeen door een enkel persoon was gedaan, en aldus werden zij door een' dwazen ijver gedreven. Het is dus geen wonder, dat de profeet lof in blaam verkeert, en de plaats niet erkent voor wat zij te voren geweest is, nl. een huis Gods, maar haar nu een huis der ongerechtigheid noemt. Nu zien wij de ware bedoeling van den profeet.

Ik keer terug tot zijne bestraffing aan de Joden; hij veroordeelt hen vanwege hun verlaten van het wettige altaar, om zich tot ongewijde plaatsen heen te begeven, en te hunkeren naai die vreemde wijze van aanbidding, die door den eigenwil en de verbeelding van menschen was uitgedacht. „Wat hebt gij van doen", zegt hij, „met Gilgal of Bethel ? Heeft God dan geen heiligdom voor u aangewezen te Jeruzalem ? Waarom aanbidt gij niet daar, waar Hij zelf u noodigt te komen ?" Hieruit zien wij, dat er eene vergelijking in ligt opgesloten tusschen Gilgal en Bethel ter eener, en den tempel, op Gods bevel op den berg Zion in Jeruzalem gebouwd, ter anderer zijde. Ook op velen in onze dagen is dit verwijt van toepassing. Hun, die den tegenwoordigen staat van zaken met een verstandig oog beschouwen, schijnen de Papisten aan de Israëlieten gelijk te zijn, want hun afval is genoeg bekend; er is niets gezonds onder hen, hun godsdienst is ten eenenmale verdorven. Maar als de Heere zich ons in bijzondereu zin verkoren heelt, dan moeten wij wel toezien, dat wij ons niet door hen tot zich laten trekken, ons niet door hen laten verstrikken. Want, gelijk wij gezegd hebben, wij moeten altijd op onze hoede zijn tegen besmetting, want, daar wij van nature tot alle kwaad geneigd zijn, is niets zoo gemakkelijk als door hunne ondeugden te worden aangestoken.

En voorts worden wij er op gewezen, hoe dwaas en beuzel-

Sluiten