Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog eenige moeite geeft; want zij zijn gansch ongeneeslijk". Want door te zeggen, dat zij zich vergezeld hebben met de afgoden, bedoelt Hij, dat zij niet afgetrokken konden worden van hunne hardnekkigheid, waarin zij verhard waren geworden ; alsof Hij zeide : „Dit is een verbond, dat niet verbroken kan worden. En Hij zinspeelt op het huwelijk, waarvan Hij te voren gesproken had; want de Israelieten waren, gelijk wij weten, met God verbonden, daar Hij hen zich had aangenomen tot een heilig volk; later hebben zij goddelooze vormen van eeredienst aangenomen. Toch was er nog hoop op herstel, totdat zij gansch en al verkleefd waren geworden aan hunne afgoden, zoodat zij er niet meer los van gemaakt konden worden. Op deze verbindtenis doelt de profeet, als hij zegt: Zij zijn vergezeld met de afgoden.

Maar hij noemt den stam van Efraïm, want de koningen (ik bedoel die van Israël) waren, gelijk wij weten, uit dien stam, en tegelijk verwijt hij dien stam misbruik te hebben gemaakt van Gods zegening. Wij weten, dat de heilige aartsvader Jakob in zijn' zegen aan Efraïm den voorrang had gegeven boven zijn' ouderen broeder, toch was er geene reden, waarom Jakob den eerstgeborene achterstelde bij den jongere, behalve dat God hier Zijn eigen welbehagen openbaarde. De ondankbaarheid van Efraïm was dus zoo veel te minder verschoonbaar, nu hij niet slechts afweek van de zuivere aanbidding Gods, maar ook het geheele land verontreinigde : want het was Jerobeam, die de goddelooze bijgeloovigheden had ingevoerd, en dus was hij de bron en oorzaak van alle kwaad. Dat is de reden, waarom de profeet hier uitdrukkelijk Efraïm noemt, hoewel het eene spreekwijze is, die aan al de profeten gemeen is, om Israël aan te duiden, een deel nemende voor het geheel, en dat noemende Efraïm.

Maar die plaats is opmerkenswaardig, opdat wij acht geven op Gods bestraffingen, en niet stompzinnig en ongevoelig blijven, als Hij ons opwekt; want wij behooren altijd te vreezen, dat Hij, onze weerspannigheid moede zijnde, ons plotseling verwerpt, of wel, dat wij Hem zoo zeer mishagen, dat Hij zich niet meer verwaardigt tot ons te spreken. Volgt :

18. Hunlieder zuiperij is afvallig; zy doen niet dan hoereeren ; hunne schilden (het is eene schande !) beminnen het woord: Geeft.

De profeet bedient zich van eene overdrachtelijke uitdrukking en zegt hier ten eerste, dat hun drank stinkende was geworden; hetgeen beteekent, dat zij zich zoo bovenmate aan allerlei godde-

Sluiten