Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het werkwoord beteekent slachten, offeren, en deze

plaats wordt gemeenlijk verklaard van offers; en die meening verwerp ik niet. Maar hoewel de profeet van offers spreekt, noemt hij het offeren ongetwijfeld op smadelijke wijze, slachten, zooals wanneer iemand den tempel het slachthuis zou noemen, en het dooden der offers, slachten ; zoo zegt ook de profeet : Offerende en slachtende, zijn zij, afgeweken zijnde, diep vastgesteld, of ingeworteld-, dat is: Door af te wijken naar hunne eigene offeranden, hebben zij hun hart volkomen verhard, zoodat hunne verdorvenheid ongeneeslijk is. Want het zeggen, dat zij diep gegaan zijn, beteekent, dat zij zoo verzot waren op hunne bijgeloovigheden, dat zij niet meer tot eene gezonde denkwijze gebracht konden worden, hoe dikwijls zij ook door den profeet vermaand werden. Maar dit werkwoord heeft in de Schriit nog eene andere beteekenis, n.1. dat de menschen zich vleien met hunne eigene raadslagen, en denken, dat zij door hunne eigene redenen saam te koppelen, God kunnen bedriegen, en de profeet gebruikt dat beeld met betrekking tot de verachters van God, die zij spotters, noemen, want terwijl deze de

menschen bedriegen, denken zij, dat zij niets met God van doen hebben. Hetzelfde zien wij ook heden : hovelingen en trotsche menschen van hetzelfde karakter vleien zich met hunne eigene bedriegerijen, en hebben een vriendelijk medelijdend glimlachje over voor onze eenvoudigheid, omdat zij denken dat met hen de wijsheid geboren is, en dat zij, nl. de wijsheid, binnen hunne hersenen is besloten. Maar ik weet niet of dit denkbeeld voor deze plaats past. Ik geef de voorkeur aan de eenvoudiger beteekenis, die ik reeds aangeduid heb, nl. dat de Israelieten zoo hardnekkig waren in hunne bijgeloovigheden, dat zij alle raadgevingen en vermaningen verachtten, ja zich moedwillig tegen alle onderwijs verzetten.

Maar er moet op ieder woord gelet worden : zich cifuendende in het offeren, zegt hij, werden zij diep. Als hij zegt, dat zij offerende zich hadden afgewend, maakt hij ongetwijfeld onderscheid tusschcn valsche en vreemde vormen van eeredienst, en de ware aanbidding Gods, voorgeschreven in de wet. De menigvuldigheid van het offeren kon op zich zelve noch ten opzichte der Israelieten noch ten opzichte der Joden gelaakt worden, maar zij wendden zich ter zijde af, dat is : zij weken af van hetgeen de wet voorschrijft. Hoe meer en hoe ijveriger zij dus offerden, hoe meer zij Gods toorn tegen zich opwekten. Wij zien dus, dat de profeet hier als met den vinger de zonde aanwijst, die hij in het volk van Israël bestraft, n.1. dat zij niet offerden overeenkomstig Gods gebod en met inachtneming van de ceremoniën, door de wet bepaald, maar daarvan afweken, en hunne eigene bedenkselen volgden. Daarom is het,

Sluiten