Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeide: ,/Toen Ik Mijne profeten gezonden heb, konden zij het niet dragen vermaand te worden, omdat Mijn woord hun te bitter was." De menschen verdragen niet licht bestraffing. Wij weten, dat zelfs zij, die zich van kwaad bewust zijn, toch niet gaarne eenigerlei bestraffing aanhooren ; ieder, die zich zeiven bedriegt, wenscht ook door anderen bedrogen te worden. Daalde ooren der menschen dus zoo teergevoelig zijn dat zij geene bestraffing geduldig aannemen, schijnt deze uitlegging niet ongepast: lk ben hun allen eene bestraffing geweest, dat is: „Mijne leer is door hen verworpen, omdat er te veel scherpte in was." De andere verklaring echter, die ik als de tweede heb aangeduid, is meer algemeen aangenomen ; ik heb echter niet onvermeld willen laten hetgeen mij toch ook niet minder

gepast toescheen.

Wij kunnen nu kiezen tusschen deze twee verklaringen, de eene of de andere aannemen — hetzij dat de Heere den Israëlieten de verontschuldiging van dwaling of vergissing ontneemt, omdat Hij toch steeds hunne ondeugden had laten bestraffen door Zijne profeten, — of dat Hij de Israelieten verwijt, dat zij Zijn Woord hebben verworpen, omdat zij het te streng vonden. De hoofdzaak blijft echter bij die beide verklaringen dezelfde, nl. dat het volk, niet slechts afvallig was, daar zij den wettigen eeredienst van God hadden verlaten om hunne eigene bijgeloovigheden na te volgen, maar dat zij ook weeispannig en hardnekkig waren in hunne goddeloosheid, zoodat zij noch onderwezen wilden worden, noch heilzamen raad aannemen. Laat ons voortgaan.

3. Ik ken Efraïm, ei^ Israël is voor Mij niet verborgen : dat gij, o Efraïm! nu hoereert, en Israël verontreinigd is.

God toont hier, dat Hij niet tevreden gesteld is door de ijdele verontschuldigingen welke de geveinsden aanvoeren, en waardoor zij denken, dat het oordeel Gods van hen kan woiden afgewend. Wij zien hoe groot de stompzinnigheid is in velen, als God hen bestraft en hunne ondeugden aan het licht brengt, want zij verdedigen zich met ijdele en beuzelachtige verontschuldigingen, en denken, dat zij aldus God in bedwang houden, zoodat Hij niet langer bij hen aandringt. Op die wijze ontwijken de geveinsden iedere waarheid. Maar Ood getuigt hier dat de menschen zich grootelijks bedriegen, wanneer zij aldus, naar hunne eigene gewaarwording, den rechterstoel in den hemel beoordeelen, voor welken zij gedaagd zijn; lk, zegt Hij, ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen. Er ligt hier ook eene tegenstelling in opgesloten, alsof Hij zeide, dat zij zich zeiven niet kenden, want, gelijk ik reeds zeide, zij bedekten

Sluiten