Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sommigen vertalen aldus : „hunne neigingen laten hun niet toe zich te bekeeren"; en die beteekenis is waarschijnlijk juist, dat wil zeggen, dat zij zoo verknocht waren aan hunne bijgeloovigheden, dat zij nu de vrijheid niet meer hadden om zich tot den rechten weg te keereu ; alsof de profeet zeide : „Zij zijn gansch en al de slaven geworden van hunne eigene duivelsche verzinselen, zoodat hunne neiging hun niet toelaat zich te bekeeren of tot boete en berouw te komen". Waar de eerste beteekenis (die ook meer algemeen is aangenomen) schijnt meer in overeenstemming met het context. Zij willen hunne pogingen niet aanwenden, zegt hij, om zich tot hun' God te bekeeren. Hier verklaart God, dat het nu geheel gedaan was met het volk, dat er volstrekt geene hoop meer overig bleef voor hen ; zooals Hij te voren gezegd had : „Laat hen varen, waartoe zoudt gij iets meer aan hen doen ? Zij willen geen heilzaam onderwijs aannemen, daar zij gansch en al aan het verderf zijn prijs gegeven, is er nu geene reden meer om nog bekommerd te zijn om hun heil, want dat zou nutteloos wezen" ; — zoo zegt Hij nu aan deze plaats : zij willen hunne pogingen niet aanwenden om zich tot hun' God te bekeeren.

Indien de profeet hier spreekt in zijn' eigen naam, dan is de beteekenis: „Waarom vermoei ik mij nog? God heett mij wel bevolen dit volk te bestraffen ; maar ik bevind dat mijn arbeid ijdel is; want ik heb te doen met redelooze dieren, of met steenen, veeleer dan met menscheu; er is geen verstand in hen, geene opmerking; want de duivel heeft hunne zinnen bekoord; nooit zullen zij hunne pogingen aanwenden om zich tot hun' God te bekeeren". Geven wij er echter de voorkeur aan om dien volzin te beschouwen, als gesproken in den naam van God, dan blijft de waarheid toch dezelfde : God verklaart hier, dat het volk ongeneeslijk is. Nooit zullen zij dus hunne pogingen aanwenden, of hunne krachten inspannen. Waarom .J Omdat zij, als het ware in een' diepen poel zijn gezonken, en hunne hardnekkigheid is als de afgrond. Dewijl zij dus als ingeworteld zijn in hunne bijgeloovigheden, zullen zij nooit hunne pogingen aanwenden, om zich tot hun' God te bekeeren.

En God toont hier niet slechts, dat er geen geneesmiddel meer was voor de krankheid des volks, maar ernstig en streng veroordeelt Hij ook hunne slechtheid, omdat zij naar geene verzoening met God streefden; alsof Hij zeide: „Wat verlang Ik dan toch van deze ongelukkigen anders, dan dat zij terugkeeren tot hun God ? Dit hadden zij eigener beweging moeten doen ; maar nu geven zij er niet eens om, als zij er toe vermaand worden, integendeel, heftig weerstaan zij alle heilzaam onderwijs. Is dit geene vreemde en monsterachtige verstandsverbijstering?" Daaruit zien wij, dat er eene gewichtige beteekenis

Sluiten