Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal zijn. Maar de oplossing is gemakkelijk; want zij dreigen met wrake over de menschen, als het ware voorwaardelijk; als zij dan daarna eenige vrucht zagen, dan wezen zij op Gods genade, en begonnen herauten des vredes te zijn om de menschen met God te verzoenen, en eene overeenstemming tusschen God en hen tot stand te brengen. Zoo heeft onze profeet de Israelieten dikwijls gedreigd, en indien zij zich hadden bekeerd, dan zou de hoop op verlossing voor hen niet afgesneden zijn! Maar nadat hij hen zóó hardnekkig had bevonden, dat zij geenerlei onderwijs wilden aannemen, zeide hij : Ik heb de waarheid onder al de stammen van Israël bekend gemaakt, dat is: God zegt thans niet: „Tenzij gij u bekeert, zijt gij verloren" ; maar Hij spreekt op stellige wijze; omdat Hij ziet, dat de welbekende leer veracht is : dit is dus de waarheid. Het is hetzelfde alsof hij gezegd had : „Dit is de laatste aanzegging van hetgeen vast en onveranderlijk is."

Ook Jeremia spreekt op dezelfde wijze: zijn boek is vol van allerlei bedreigingen; maar het zijn voorwaardelijke bedreigingen. Maar toen God de zaak ter hand had genomen, begon hij op gansch andere wijze te handelen : „Ik roep u thans niet meer tot bekeering, ik twist niet langer met u; ik stel u God niet meer voor als Rechter, opdat gij Hem zoudt smeeken om genade; dit alles is afgedaan; wat nu overblijft is, zegt hij, //het laatste bevel, n.1. u te toonen dat er geene hoop meer voor u is." Dit is hier de ware en werkelijke bedoeling van den profeet, hetgeen aan ieder, die het context in zijn geheel nagaat, duidelijk zal blijken. Te voren had hij gezegd: „Efraïm zaltot verwoesting worden ten dage der straf," dat is : „De Heere zal Efraïm niet langer bestraffen zooals te voren, maar zal hem zekerlijk verwoesten"; en dan voegt hij er bij: Ik heb de waarheid bekend gemaakt door al de stammen Israels. „Thans", zegt hij, „weet gij, dat de wrake weldra over u komen zal, dat die voor God bevestigd is; weet tevens, dat ik spreek met gezag, alsof de hand Gods nu voor uwe oogen was uitgestrekt."

10. De vorsten van Juda zyn geworden gelijk die de landpale verrukken ; Ik zal Mijne verbolgenheid als water over hen uitgieten.

Hier brengt de profeet de schuld van al het kwaad, dat toen in den stam van Juda heerschte, over op hunne vorsten. Hij zegt, dat het volk door hunne schuld van God was afgeweken, en hij gebruikt een zeer treffend beeld. Wij weten, dat er geene zekerheid kan bestaan omtrent de bezittingen der menschen, tenzij de grenzen der akkers en velden vastgesteld zijn,

Sluiten