Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want niemand kan anders zijn eigendom in bezit houden. Maar door dit beeld van grenspalen van akkers verwijst de profeet naar de geheele politieke orde. De beteekenis is, dat alles zich thans in een' toestand van wanorde en verwarring bevond onder de Joden, omdat hunne leiders, die het volk hadden behooren te besturen en in gehoorzaamheid te houden, de geheele orde van zaken hadden vernietigd. Nu verstaan wij wat de profeet werkelijk op het oog had.

Maar er moet op gelet worden, dat de stam van Juda als Gods erfdeel, tot nu toe, als het ware door grenzen afgezonderd was gehouden ; want Israël was vervreemd geworden. Gods bezitting was door den afval van Jerobeam verminderd, en Hij behield slechts anderhalven stam in Zijn' dienst. Nu zegt de profeet, dat de Joden zich vermengd hadden met de Israelieten, en dus ook zelf van God vervreemd waren geworden, want de vorsten hadden zelf de landpalen weggenomen, dat is: zij hadden door nalatigheid en andere ondeugden allen eerbied voor God, alle belangstelling in den Godsdienst en voor alles, wat goed en recht was, vernietigd ; daarom richt hij de ernstige bedreiging tot hen: Ik zal Mijne verbolgenheid als water over hen uitgieten.

Door deze beeldspraak geeft hij te kennen, dat God veel strenger jegens hen zal wezen dan jegens het gewone volk. „Ik", zegt Hij, „zal met volle kracht Mijne gramschap over hen uitstorten, alsof het de vloed der oude tijden was." De beteekenis is : „Ik zal hen overstelpen door Mijne wrake, omdat zij door hun slecht voorbeeld meer kwaad gedaan hebben, dan wanneer zij eenvoudige lieden waren geweest." Daaruit zien wij, dat het bederf des volks toegeschreven wordt aan de vorsten, en dat dieswege Gods schrikkelijke wrake over hen aangekondigd is.

Maar wij moeten in gedachten houden wat ik te voren gezegd heb, dat de profeet hier zinnebeeldig den naam van grenzen geeft aan den wettigen eeredienst van God en aan alles wat Hij het volk had bevolen, opdat zij Zijn verzekerd eigendom zouden zijn, gelijk als onder de menschen akkers en velden door grenzen van elkander worden gescheiden, opdat ieder het zijne zou behouden.

11. Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zoo gewild, hij heeft gewandeld naar het gebod.

Hier toont de profeet nogmaals, dat de wrake Gods over Israël rechtvaardig zou zijn, omdat zij de goddelooze edicten van hun'

Sluiten