Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om naar andere geneesmiddelen; de stompzinnigheid had zich zoo zeer meester van hen gemaakt, dat zij niet bedachten, dat God hen kastijdde, en wel om rechtvaardige oorzaken. Dewijl dan zoo iets in het geheel niet bij hen opkwam, en zij zich, evenals redelooze dieren, slechts krank gevoelden, gingen zij naar den Assyriër, en zonden tot den koning Jareb.

De profeet schijnt zijne bestraffingen niet alleen tegen de tien stammen te richten ; maar hoewel hij uitdrukkelijk van het rijk van Israël spreekt, is er toch geen twijfel aan, of hij beschuldigt ook de Joden. Waarom noemt hij dan alleen Efraim ? Omdat dit kwaad zijn oorsprong nam in het rijk van Israël : want zij waren de eersten om naar den koning van Assur te gaan, ten einde met zijne hulp aan hunne naburen, de Syriërs, weerstand Ie bieden : later hebben de Joden hun voorbeeld gevolgd. Dewijl alzoo de Israelieten aan de Joden een precedent stelden om zulke soort van hulp in te roepen, bepaalt de profeet zijne rede uitdrukkelijk tot hen. Maar gelijk ik reeds gezegd heb, er valt niet aan te twijfelen, dat de beschuldiging beide volken betrof.

Nu bemerken wij wat de profeet bedoelde: Efraim, zegt hij, zag zijne krankheid, en Juda zijn gezwel; dat is: „Hoewel ik als eene mot en een houtworm het rijk van Israël zoowel als het rijk van Juda verteerd heb, en zij zich als het ware, hebben voelen vermolmen, en ofschoon hunne krankheid hén tot bekeering had moeten leiden, hebben zij hunne gedachten toch naar elders gericht; zij hebben zelfs gemeend, dat zij genezen konden worden door een geneesmiddel te zoeken bij de Assyriërs, ot bij anderen ; en zoo is het gebeurd, dat zij zich heen spoedden naar Assyrië, en hulp zochten bij koning Jareb". Nu zien wij, dat hier de stompzinnigheid en de verharding des volks bestraft worden, omdat zij door het kwaad, dat hun overkwam, niet tot bekeering waren gebracht.

Sommigen denken, dat Jareb eene slad was in Assyrië, maar er bestaat geen grond voor dit vermoeden. Anderen'veronderstellen, dat Jareb een naburig koning was van de Assyriërs en dat om hem gezonden was, toen de Assyriër, van een vriend en bondgenoot, een vijand was geworden, die in het rijk van Israël was gevallen; maar ook voor deze gissing bestaat geen genoegzame grond. Het kan de eigennaam geweest zijn van een man, en ik geef er de voorkeur aan liet aldus te beschouwen. Want het scheen niet noodig dat de profeet hier van vele hulptroepen zou spreken ; maar naar de wijze der Hebreën herhaalt hij tweemalen hetzelfde. Sommigen vertalen het door „wreken", omdat zij om dien koning nl den Assyriër, zonden, als een wreker. Maar ook die uitlegging is gewrongen. Eenvoudiger schijnt mij, wat ik reeds 4-

Sluiten