Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

smaakt, en er vast verzekerd van zijn, dat zij niet te vergeefs tot Hem zullen wederkeeren, maar dat Hij gereed en bereid is hun vergeving te schenken. Dat is de beteekenis der woorden, als hij zegt: Komt en laat ons wederkeeren tot den Heere; want Hij heeft '■verscheurd, en Hij zal ons genezen ; dat is: God heeft ons geene doodelijke wonden toegebracht; Hij heeft geslagen, om te genezen.

Intusschen is er in de woorden van den profeet nog iets meer uitgedrukt, nl. dat God zoo streng niet handelt met de menschen, of Hij laat altijd nog ruimte overblijven voor Zijne genade. Want door het woord gescheurd zinspeelt hij op het zware oordeel, waarvan hij te voren in den naam Gods had gesproken : de Heere heeft zich toen vergeleken bij een wreed, verscheurend dier: „Ik zal zijn als een felle leeuw, Ik zal verslinden, Ik zal verscheuren, en niemand zal Mij den buit ontrukken", God wilde dus toonen, dat Zijne wrake over de Israelieten ontzettend zou zijn. Maar hoewel God nu zeer streng met hen zou handelen, moesten zij toch niet wanhopen aan genade en vergeving. Hoezeer wij dus voor een' tijd God als een leeuw of een beer jegens ons mogen bevinden, is er toch geene reden waarom wij Zijne tegenwoordigheid zouden schuwen, daar het toch Zijn ambt is de wonden, die Hij heeft toegebracht te verbinden, en te genezen nadat Hij heeft gescheurd. Wij zien dat het doel van de woorden van den profeet is te toonen, dat geene kastijding zoo streng is, dat onze geest, er door gebroken moet worden, maar dat wij door hoop te koesteren onszelven zouden opwekken tot bekeering. Dit is de zin en beteekenis van deze schriftuurplaats.

Voorts is het noodig op te merken, dat de geloovigen ten eerste zich zeiven bemoedigen, ten einde later anderen met zich mede te voeren; want dit is de beteekenis der woorden. Hij zegt niet: ,/Gaat henen, keert weder tot Jehovah", maar : Komt, laat ons wederkeeren tot den Heere. Dus zien wij, dat ie ei met zich zeiven begint, en dat zij daarna elkander vermanen, en dit moet ook door ons gedaan worden, want als iemand slechts ziine broederen tot God zendt, gaat hij niet te rade met het goede voor zich zeiven, daar hij toch veeleer den weg moest wijzen. Laat een ieder dus leeren zich zeiven op te wekken, om dan ziine hand uit te strekken naar anderen, opdat zij hem mogen volden. Tevens worden wij er aan herinnerd, dat wij zorg behooren te "dragen voor onze broederen, want het zou voor ieder eene schande zijn om maar tevreden te zijn als hij zelt behouden is, en ziine broederen veronachtzaamt. Het is dus noodig deze twee 'zaken samen te voegen : — ons zeiven op te wekken tot bekeering, en dan er naar te streven om ook anderen met ons mede te nemen op den goeden weg. Laat ons nu voortgaan.

Sluiten