Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen ontken ik niet, dat God een merkwaardig en gedenkwaardig voorbeeld van hetgeen hier gezegd is heeft getoond in Zijn eengeboren Zoon. Zoo dikwijls uitstel dus krenking bij ons verwekt, als God alle zorge over ons schijnt afgeworpen te hebben, zoo laat ons vluchten tot Christus, want, gelijk gezegd is; Zijne opstanding is een spiegel van ons leven; want daarin zien wij, hoe God met Zijn eigen volk pleegt te handelen ; de Vader heeft niet terstond het leven in Christus weder opgewekt, nadat Hij afgenomen was van het kruis • Hij werd nedergelegd in het graf, en daar bleef hij liggen tot aan den derden dag. Als God dus wil, dat wij voor een tijd zullen kwijnen, zoo laat ons weten, dat wij hierin door Christus ons Hoofd vertegenwoordigd zijn, en laat ons stof tot vertroosting daaraan ontleenen. Wij hebben in Christus dus een heerlijk bewijs van deze profetie. Maar laat ons in de eerste plaats vast houden aan hetgeen wij gezegd hebben, nl. dat de o-eloovjgen hier hoop verkrijgen voor zich zeiven, hoewel God niet terstond Zijne hand naar hen uitstrekt, maar met Zijne genade der verlossing nog eenigen tijd wacht.

voeSt hl.i er bij : Wij zullen voor zijn aangezicht leven. Wederom versterken de geloovigen zich hier, want God zal hen begunstigen met Zijn vaderlijk aangezicht. Want zoo lang God geene zorg voor ons draagt, wacht ons een gewis verderf, maar zoodra Hij Zijn oog op ons richt, wekt Hij door dien blik reeds leven in ons op. Derhalve stellen de geloovigen zich dit goede voor, dat Gods aangezicht na een langdurige duisternis weder over hen zal lichten, en daaraan ontleenen zij dan ook de hoop op leven, en tegelijk onttrekken zij zich aan'alles wat dit licht des levens verduistert; want zoo lang wij heren derwaarts dwalen, kunnen wij het leven niet aangrijpen, dat God ons belooft, daar de bekoringen dezer wereld even zoo vele bedekselen zijn, die het vaderlijk aangezicht Gods voor ons oog verborgen houden. Wij moeten ons dus herinneren, dat deze volzin er bijgevoegd is, opdat de geloovigen, als het Gode behaagt, zich van hen af te wenden, niet zullen twijfelen, of Hij zal hun Zijn aangezicht weder toekeeren. Laat. ons na voortgaan.

3. Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den Heere te kennen, Zijn uitgang is bereid als de dageraad ; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.

In dit vers gaan de geloovigen voort met hetgeen wij reeds overwogen hebben, daar zij zich bevestigen in de hope der

Sluiten