Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen.

7. Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam ; daar hebben zij trouwelooselijk tegen Mij gehandeld.

In deze Schriftuurplaats verklaart God, dat Hij lust heeft tot barmhartigheid, en niet tot offeranden; en dit doet Hij om eene tegenwerping te voorkomen benevens alle beuzelachtige voorwendselen. Gelijk wij weten, zijn de geveinsden nooit verlegen om een bedekseï, waar achter zij zich kunnen versohuilen, en zoo groot is hunne roekeloosheid, dat zij soms niet aarzelen om met God te strijden. Ja het is hunne gewone wijze van doen om staande te houden, dat zij God aanbidden en vereeren, zoo zij Hem slechts offers brengen, zich veel moeite geven voor het verrichten van plechtigheden en de ceremoniën vermenigvuldigen. Zij denken dus, dat God aan hen verplicht wordt, en dat zij ten volle hun' plicht volbracht hebben. Dit kwaad was aan alle eeuwen gemeen. Daarom voorkomt de profeet deze uitvlucht, en zegt: Weldadigheid begeer Ik en g eene offers ; alsof hij zeide: ffIk weet wat gij wilt aanvoeren, en dat gij zult zeggen, dat gij Mij offeranden brengt en alle plechtigheden verricht, maar die verontschuldiging houd Ik voor beuzelachtig' en van geene beteekenis". Waarom ? //Omdat Ik geen lust heb tot offeranden, maar tot weldadigheid en geloof". Nu verstaan wij de voornaamste strekking van dit vers.

Het is eene merkwaardige plaats; tweemaal heeft de Zone Gods haar aangehaald. De Farizeën verweten Hem Zijn omgaan met menschen van een slecht levensgedrag, en Hij zeide hun (Matth. 9 : 13). ,/Ik wil barmhartigheid en niet offerande" ; daarmede toont Hij aan, dat God door geene uitwendige plechtigheden wordt aangebeden en vereerd, maar wèl daardoor, dat de menschen elkander verdragen en niet bovenmate streng zijn. En in Mattheüs 12 : 7 zeide Hij, toen de Farizeën de discipelen laakten omdat zij aren plukten : ffGaat veeleer heen en leert wat het is: //Ik wil barmhartigheid en niet offerande". Wijl zij zoo streng waren jegens Zijne discipelen, toont Christus, dat zij, voor wie heiligheid bestaat in ceremoniën, dwa/.e aanbidders van God zijn, alsmede dat zij hunne broederen laakten zonder oorzaak, en eene misdaad maakten van hetgeen op zich zelf niet zondig is, en dat door ieder verstandig en kalm Schriftverklaarder gemakkelijk verdedigd kon worden.

Opdat wij echter deze meening van den profeet ten volle zullen verstaan, moeten wij opmerken, ten eerste, dat de uitwendige Godsvereering en alle plechtigheden der wet begrepen zijn onder den naam offerande en brandofferen. Die woorden om-

Sluiten