Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatten dus een deel voor het geheel. Hetzelfde kan gezegd worden van het woord TÖH' hetwelk beteeken t barmhartigheid of vriendelijkheid; want ongetwijfeld stelt de profeet hier geloof of Godsvrucht en liefde tot den naaste tegenover alle uitwendige ceremoniën. „Ik heb lust", zegt Hij, „tot barmhartigheid" ; of, ^barmhartigheid behaagt Mij meer dan offerande, en de kennis van God behaagt Mij meer dan brandoffers". De kennis Gods moet hier ontwijfeld genomen worden voor geloof of Godsvrucht, omdat de geveinsden denken, dat God op de rechte wijze vereerd wordt, als zij vele ceremonieele handelingen verrichten. De profeet belacht al dien praal en nietszeggende vertooning, en zegt, dat het aanbidden van God gansch wat anders is, daar deze slechts plaats heeft, als Hij gekend wordt. Waar het op neer komt is, dat God op andere wijze aangebeden wil worden dan de vleeschelijke menschen denken, want zij vertoonen slechts hunne ceremoniën, en verwaarloozen de geestelijke aanbidding Gods, welke bestaat in geloof en liefde.

Deze twee zindeelen behooren dus te zamen gelezen te worden — dat vriendelijkheid God behaagt — en dat geloof G«d behaagt. Op zich zelf alleen kan geloof God niet behagen, daar het zelfs niet bestaan kan zonder liefde tot onzen naaste; en van den anderen kant, menschelijke goedheid of vriendelijkheid volstaat niet; want al zou iemand er zich ook van onthouden om zijnen broederen in eenigerlei zaak schade of nadeel toe te brengen, dan zou hij toch nog een onheilig mensch en een smader van God kunnen zijn : en dan zouden zijne vriendelijkheid en menschlievendheid hem niet baten. Zoo zien wij, dat deze twee denkbeelden niet gescheiden kunnen worden, en dat hetgeen de profeet zegt hetzelfde is, alsof hij Godsvrucht met liefde had verbonden. De beteekenis is, dat God veel meer prijs stelt op geloof en weldadigheid, dan op offeranden en alle ceremoniën. Maar als de profeet zegt, dat offers Gode niet behagen, dan spreekt hij ongetwijfeld vergelijkenderwijze; want God verwerpt niet bepaald en volstrekt offeranden, die in Zijne eigene wet bevolen zijn ; maar boven deze geeft Hij de voorkeur aan geloof en liefde, zooals wij duidelijk zien kunnen uit het rededeel f2> a's hij zegt „dan brand-

offeren". Het blijkt dus, dat God niet in tegenspraak is met zich zeiven, alsof Hij offeranden verwierp, die Hij zelf bevolen heett, maar dat Hij het misbruik er van veroordeelt; waarin de geveinsden roemden.

En nu moet men hier letten op twee zaken : God wil geene ceremoniën, alsot deze op zich zeiven van eenigerlei nut of beteekenis waren, maar voor een gansch ander doel. Het geloof op zich zelf behaagt God, en evenzoo ook liefde; want zij behooren, gelijk men zegt, tot de klasse van goede werken ;

Sluiten