Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden overgegeven. Met het woord bedoelt hij elke

soort van valschheid, dat is : dat de menschen als het ware doortrokken waren van verdorvene lusten, en dat er nu niets meer in hen was overgebleven, dat gaaf of gezond was. Het voorname punt is dus, dat de boosheid van het volk ontdekt was, en dat zij door geene gematigde strengheid uitgedreven kon worden, omdat zij tot het binnenste was doorgedrongen en zich door het geheele lichaam had verspreid.

Wat nu volgt wordt door de uitleggers beschouwd als de straf, die God hun reeds had opgelegd. De profeet zegt: De dief is ingekomen en de roover plundert buiten. Daarom denken zij, dat dit slaat op de manier, waarop God reeds door straf begonnen was het volk tot eene goede gezindheid terug te brengen; alsot hij zeide : ,/Gij zijt beroofd door dieven en gekweld door roovers." Maar ik denk veeleer, dat de profeet nog voortgaat met hetzelfde onderwerp en toont, dat het volk in- en uitwendig zoo gansch en al door ondeugden was ingenomen, dat er nu niets gezonds meer in hen was, en, een deel nemende voor het geheel, duidt hij hier iedere soort van kwaad aan, want hij wijst op twee soorten, die voor alle dingen in het algemeen kunnen gelden. Daarom zegt hij : De dief is ingekomen, dat is : steelsgewijze, en doet kwaad op verraderlijke wijze, of zelfs openlijk, gelijk roovers, die openlijk geweld plegen; hetgeen beteekent, dat de goddeloosheid zóó de overhand had, hetzij door bedrog of door open krijg, dat zij op allerlei manier verdorven waren. Maar als hij zegt, dat de dief is ingekomen, bedoelt hij, dat velen van het volk gelijk vossen waren, die listiglijk kwaad bedrijven ; en als hij zegt, dat de roover buiten geplunderd heeft, bedoelt hij, dat anderen, gelijk leeuwen openlijk en schaamteloos zich hebben meester gemaakt van hetgeen aan anderen behoorde, en dus door open geweld de armen en ellendigen hebben beroofd.

Nu begrijpen wij de bedoeling van den profeet. Na gezegd te hebben dat de Israelieten en de burgers van Samaria zich bedriegelijk hadden gedragen, toont hij nu door inzonderheid twee dingen te noemen, dat zij afgeweken waren van alle rechtschapenheid, en zich schandelijk hadden overgegeven aan alle soort van boosheid, want, waar geweld heerscht, daar heerschen ook bedrog en allerlei soorten van kwaad. De dief was dus ingekomen, en de roover plunderde buiten; dat is heimelijk omstrikken zij hunne naburen, en ook openlijk en schaamteloos gingen zij uit als roovers. Nu volgt:

Sluiten