Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij zich niet, zegt hij, tot hun God, en zoeken Hem niet in dit (dies. Nu zien wij, wat ik gezegd heb, dat de vorige klacht betreffende de duivelsche hardnekkigheid, die zoozeer de overhand had onder het volk, hier bevestigd wordt, zoodat er nu geene hoop meer was op hun heil. En hij zegt, dat zij niet terugkeerden tol Jehovah, hun' God, want zij gingen gestadig hunne afgoden achterna, gelijk wij te voren gezien hebben; ja zij waren bevangen met dien bandeloozen ijver, waarvan de profeet aan het begin van dit hoofdstuk heeft gesproken ; maar zij keerden niet terug tot Jehovah ; zij waren gansch ingenomen door de menigte hunner valsche goden, en intusschen hadden zij geenerlei ontzag voor God.

En als hij zegt hun God, drukt hij hiermede eene sterke afkeuring van hen uit; want God had zich aan hen geopenbaard ; ja Hij had zich helder en duidelijk aan hen bekend gemaakt door Zijne wet. Het was dus niet uit onwetendheid, of onbekendheid met Hem, dat zij niet tot Hem terugkeerden, maar wel door een duivelschen waanzin, alsof zij moedwillig en met voorbedachten rade ten verderve wilden gaan. God noemt zich hier dus den God van Israël, niet om hen te eeren, maar om des te meer hunne ondankbaarheid in het licht te stellen, en hunne trouweloosheid nog sterker te doen uitkomen, omdat zij van Hem afgevallen waren en Hem niet wilden zoeken.

Wat hij bedoelt als hij zegt: ln alle dezen, is, dat elk geneesmiddel was beproefd, en dat alzoo hunne krankheid volstrekt ongeneeslijk was. Als wij niets kunnen doen met één middel, beproeven wij een ander. Nu had God beproefd niet slechts door één middel Israël tot zich te doen wederkeeren, maar Hij had het met alle middelen beproefd. Als daar nu geen goeds op volgde, wat kon er dan anders gezegd worden dan dat het volk verloren was, en er geene hoop meer voor hen was? Dit alzoo is het wat de profeet hier bedoelt. Nu volgt —

11. Want Efraïm is als eene botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zy gaan henen tot Assur. 12. Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen ; Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hunne vergadering.

De profeet laakt Israël hier in de eerste plaats om hunne dwaze lichtgeloovigheid, en vergelijkt hen bij eene duif; want zij hadden de Egyplenaren aangeroepen en naar Assyrie ge-

Sluiten