Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoewel gij u overgegeven hebt aan de zonde, maar dit uw geweld zal Mij niet hinderen, want Ik heb de middelen om u te straffen.

13. Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zy hebben tegen Mij overtreden ! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugenen tegen Mij.

Hier ontneemt de profeet den Israelieten de hoop op ver geving, en verklaart dat het geheel met hen gedaan was, want God had nu besloten hen te verderven. Want, daar God overal verklaart bereid en geneigd te zijn tot genade en vergeving, hopen de geveinsden, dat God ook hun genadig zal zijn ; en dit valsch vertrouwen koesterende, verachten zij de bedreigingen, en staan driest tegen Hem op Daarom toont nu de profeet, dat God later onverbiddelijk voor hen zou zijn, omdat zij zoo lang en zoo hardnekkig misbruik hadden gemaakt van Zijne lankmoedigheid. Wee hen! zegt hij, want zij zijn van Mij afgezworven ; verstoring over hen / want zij hebben trouwelooslijk jegen-s Mij gehandeld. Er is dus geene reden voor hen, zegt de profeet, om zich in de toekomst met eene valsche hoop te vleien, gelijk zij tot nu toe gedaan hebben; want dit is eens vooral bij God besloten — Zijne uiterste wrake over hen te doen komen, hun afval heeft dit verdiend.

Dan voegt hij er bij : Ik zal hen verlossen, en zij hebben leugenen tegen Mij gesproken. Zij, die het eerste woord in den toekomenden tijd nemen, denken, dat de profeet eene vraag doet: „Zal Ik hen verlossen ? want zij hebben leugenen tegen Mij gesproken" : en zij denken, dat dit eene onbepaalde wijze van spreken is. — „Zou Ik hen, menschen zonder trouw, verlossen ; welk goed zou ik doen door zulk eene vriendelijkheid ?" Anderen geven deze verklaring — „Hoewel Ik wenschte hen te verlossen, bevond Ik toch, dat dit evenmin weldadig als rechtvaardig zijn zou, want zij spreken leugenen tegen Mij* ; alsof God hier niet zeide wat Hij gedaan heeft, maar wat Hij had wenschen te doen. Maar de verleden tijd is hier niet ongepast; en wij weten hoe gewoon het was onder de Hebreen om de tijden der werkwoorden te veranderen. De beteekenis zal dus zijn : „Ik heb hen verlost, en zij hebben leugenen tegen Mij gesproken"; dat is: „Ik heb hén dikwijls verlost van den dood, wanneer zij zich in het uiterste gevaar bevonden ; maar zij hebben hunne gezindheid niet veranderd; ja zij hebben Mij beroofd van den lof voor hunne bevrijding, en zij hebben na hunne verlossing in geen enkel opzicht een beter

Sluiten