Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven geleid. Dewijl Ik dan door Mijne weldaden geenerlei goed gewrocht heb, blijft er Mij niets over dan hen nu te verderven". Het komt mij voor dat dit de bedoeling is van den profeet.

Hij verklaart dus in de eerste zinsnede dat zij te vergeefs op de genade Gods hoopten, want dat hunne eindelijke verwoesting besloten was. Dan volgt daar de reden van, nl. dat zij dwaselijk en goddelooslijk de gunst Gods hadden misbruikt, daar zij, door Hem verlost zijnde, toch in hunne boosheid bleven volharden, en zelfs trouwelooslijk jegens God handelden, terwijl zij voorgaven zoo gansch anders te handelen. Dewijl er dus geene verandering ten goede was, toont God nu aan, dat Hij Zijne gunst niet langer aan zoo goddelooze menschen zal verspillen. Nu leert ons deze Schriftuurplaats hoe ondraaglijk onze ondankbaarheid is, als wij, na door den Heere verlost te zijn, de trouw niet. houden, die wij Hem beloofd hebben, en die Hij van ons eischt; want God is onze Verlosser op voorwaarde, dat wij Hem dan ook ten volle toegewijd zijn. Want hij, die verlost werd, behoort niet te leven op eene wijze, alsof hij zichzelven toebehoorde en zijn eigen zin en wil kan doen, maar hij moet gansch en al afhankelijk zijn van Zijn Verlosser. Indien wij dus trouwelooslijk handelen jegens God na door Zijne genade te zijn verlost, dan zullen wij schuldig zijn aan eene trouweloosheid en goddeloosheid, die eene dubbele wrake verdient, en dit is het wat de profeet hier leert.

Wij weten, in waarheid, hoe genadig God het volk had gespaard, nadat zij tot bijgeloovigheden in den eeredienst waren vervallen, en ook hunne trouw aan de nakomelingen van David hadden geschonden; de Heere had nog niet opgehouden aan dit volk vele gunstbewijzen te schenken, niettegenstaande hunne onwaardigheid. Wij weten ook, dat zij onder Jerobeam tot ongedachten voorspoed waren gekomen. Maar zij verhardden zich al meer en meer in hunne boosheid, zóó ver waren zij er van daan om op den rechten weg terug te keeren. Laat ons nu voortgaan.

14. Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hunne legers ; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij.

Wederom bestraft de profeet de Israelieten, omdat zij zich niet bekeerd hadden, na zoo dikwijls vermaand te zijn, want gelijk gisteren gezegd is: al de kastijdingen, die God ons oplegt, hebben ten doel ons van onze ondeugden te genezen. Nu zegt de profeet hier, dat de Israelieten niet tot God hadden geroe-

Sluiten