Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

£ui volgt de andere beschuldiging, — dat zij zich van hun zilver• en hun goud afgoden gemaakt hebben. God klaagt hier, dat Zijn eeredienst niet slechts in verval was geraakt, maar ook gansch en al was verdorven door bijgeloovigheden. Het was een ondraaglijke goddeloosheid, dat het volk een nieuwen koning begeerde; maar het was het toppunt van alle kwaad, toen de Israelieten hun goud en hun zilver in afgoden verkeerden. Zij hebben, zegt hij, van hun goud en hun zilver afgoden gemaakt; dat is: ,/het goud en het zilver, waarmede zij verrijkt zijn geworden, had Ik tot gansch wat anders bestemd. Toen Ik dus milddadig voor hen was, hebben zij Mijne goedheid misbruikt, en van hun goud en hun zilver hebben zij zich afgoden gemaakt". Door gevolgtrekking bestraft de proleet hier dus zeer scherp den waanzin van het volk, dat zij zich uit verderfelijke dingen goden maakten, dingen, die hun dienstig hadden moeten zijn, want waartoe geeft de Heere ons anders geld dan voor ons dagelijksch gebruik P Dewijl de Heere dus goud en zilver bestemd heeft om ons te dienen, welk een waanzin is het dan niet om er zich goden van te maken ! Maar dit hooldpunt moet altijd in gedachten worden gehouden, dat de Israelieten in alles zelf hun' afval hebben verraden, want zij aarzelden niet het koninkrijk omver te werpen, dat God tot hun heil had opgericht, en zij ontzagen zich niet om dooi invoering van nieuwe bijgeloovigheden den ganschen eeredienst Gods en het priesterschap te verderven.

Dan volgt eene aankondiging van straf. Daarom zal Israël uitgetoeid worden. Indien iemand daartegen nu zou inbrengen, dat (tod al te streng was, dan zou er voor die tegenwerping geen giond bestaan, want zij hadden hunne bezworen trouw geschonden en verraden, en door beide het koninkrijk en het priesterschap te verachten en te vertreden, hadden zij Zijne gunst verworpen. Zoo zien wij dus dat de profeet hen nu met een welverdienden ondergang dreigt. Laat ons voortgaan:

5. Uw kalf, o Samaria ! heeft u verstooten ; Mijn toorn is tegen hen ontstoken : hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen ?

De proleet gaat voort met hetzelfde onderwerp; want hij toont aan, dat Israël door eigene schuld is omgekomen, en dat de misdaad, of de oorzaak der verwoesting, op niemand anders kon gelegd worden. Kr is wel eenige dubbelzinnigheid in de woorden, waardoor de zin echter niet duister of onduidelijk wordt; want hetzij wij kalf in den 4den naamval lezen, of wel lezen : Uw kalf heeft u ver weggedaan, het komt toch op

Sluiten