Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarna voegt hij er bij, dat er geene halmen zouden zijn, en dezelfde gelijkenis vervolgende, zegt hij: het uitspruitsel zal geen meel maken / indien het dit al maakt, vreemden zullen het verslinden. De beteekenis is, dat de Israelieten dwaalden in hunne raadslagen, en niets wezenlijks hadden ; het was hetzelfde, oi iemand wind gezaaid had. Dan volgt de oogst van den wervelwind, want hun zaad zal niet opkomen, "geen koren zal groeien, dat meel voortbrengt; maar indien er op hunne raadslagen ook al vrucht zou volgen, of zoo zij al iets oogstten, zouden vreemden het verslinden, want de Heere zou ten laatste de vijanden alles doen verstrooien wat zij dachten verkregen te hebben. Nu volgt:

8. Israël is verslonden ; nu zijn zij onder de Heidenen geworden, gelijk een vat, waar men geen' lust toe heeft.

Hij gebruikt hetzelfde woord als te voren, toen hij sprak van het meel, en zegt, dat niet slechts Israels voorraad verslonden zal worden, maar ook het volk zelf; en hij wijst de Israelieten op hunne ellende, opdat zij ten laatste zouden erkennen, dat God hun tegen was. Want het doel van den profeet was hen hunne rampen te doen gevoelen, opdat zij zich eindelijk zouden verootmoedigen en leeren nederig om vergeving te bidden. Want het is groote wijsheid, als° wij ons de kastijdingen Gods zoo ten nutte maken, dat onze zonden ons voor oogen komen.

Daarom zegt hij : Israël is verslonden, en is als een weggeworpen val onder de Heidenen, terwijl toch dit volk boven de gansche wereld uitmuntte, daar de Heere het zich had verkoren. Daar zij een bijzonder volk waren, overtroffen zij andere natiën ; toen werden zij afgezonderd met het doel, dat zij met de Heidenen niets gemeens zouden hebben. Maar nu zegt hij, dat dit volk verstrooid is, overal veracht en verworpen is. Dit zou niet hebben kunnen geschieden, als God hun niet Zijne bescherming had onttrokken. Hieruit zien wij, dat de profeet deze eene zaak op het oog had — de Israelieten te doen beseffen, dat God vertoornd op hen was. Nu vokt •

1 o *

0. Want zij zijn opgetogen naar Assur, een' woudezel, die alleen voor zich zeiven is j die van Efraïm hebbtn boelen om hoerenloon gehuurd. 10. Dewijl zij dan onder de Heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zoo zal Ik die nu ook verzamelen; ja zij hebben al een weinig begonnen, vanwege den last van den koning der vorsten!

Sluiten