Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behooren tevreden te zijn, niet met één altaar, (want er is thans geen altaar noodig), maar met eene gewone tafel. De Papisten daarentegen, bouwen zich altaren zonder einde, waar zij offeren ; en zij denken, dat God aldus aan hen als door evenzoo vele ketenen gebonden is. Zoo vele kapellen als er onder het pausdom zijn, denken zij, zoo vele omheiningen, of insluitingen hebben zij van God (Dei carceres), en dat God daarin opgesloten wordt gehouden. Indien iemand echter zou zeggen, dat evenzoo vele duivelen in die plaatsen verblijven, dan weten wij in welk eene woede zij zouden ontsteken.

Het is dus geene overtollige herhaling, als de profeet zegt, dat de altaren vermenigvuldigd teerden om te zondigen ; en dan, dat er altaren zouden zijn om te zondigen ; want in het tweede zindeel spreekt hij van de straf, waarmede God de bijgeloovigen zal bezoeken. In de eerste zinsnede toont hij, dat hunne goede bedoelingen beuzelachtig waren, en dat zij zich grootelijks bedriegen, als zij zoo maar naar hun eigen goeddunken allerlei vormen van Godsvereering uitdenken. Dit is ééne zaak. Daarna volgt: Er zullen dus altaren voor hen zijn om te zondigen, daar zij niet gewillig tot berouw zouden komen, en heilzame vermaningen zouden aannemen, zou God eindelijk toonen op welken prijs Hij stelde hetgeen zij hunne goede bedoelingen noemden • want nu was eene schrikkelijke wrake nabij, die hun zou 'bewijzen, dat zij, door de altaren te vermenigvuldigen, niets anders deden, dan hunne zonden te vermenigvuldigen. Nu volgt: —

12. Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor ] maar die zijn geacht als wat vreemds.

De profeet toont hier kortelijk aan, hoe wij over den Goddeliiken eeredienst hebben te oordeelen, en daarmede wil hij elke aanleiding wegnemen voor de verzinselen, waarmede de menschen zich gewoonlijk bedriegen, en waarachter zij zich verschuilen, als zij bestraft worden. Want hy stelt de we Gods, en den regel, dien zij voorschrijft, tegen al de bedenkselen der menschen. De menschen denken, dat God onrechtvaardig is, zoo Hii niet als goed en wettig aanneemt, wat zij daarvoor houden; maar gelijk aan eene andere plaats gezegd is, God acht gehoorzaamheid hooger dan alle offers. Daarom verklaart de profeet nu, dat al de bijgeloovigheden, die toen onder het volk van Israël heerschten, doemwaardig voor God waren ; want zii gehoorzaamden niet de wet, maar hadden valsche en verdorvêne wijzen van Godsvereering, die zij zich zelven hadden uitgedacht. Wij zien dus het verband van hetgeen de

Sluiten